Hoofdstuk 2

De schepper van alle dingen

Het eerste vers uit de bijbel leert ons iets heel belangrijks: God is Schepper. De meeste gelovigen in de wereld beamen dit, maar slechts weinigen begrijpen de implicaties hiervan.Het betekent dat God alle dingen BEZIT vanwege het scheppingsrecht.

Dit is ook de reden waarom God Mozes in Leviticus 25:23 vertelt dat het land niet zonder einde verkocht kon worden, omdat het land van HEM was:

23 Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.

Met andere woorden God heeft als Schepper soevereiniteit over het land en kan het geven aan wie Hij wil. Wij zijn rentmeester. God is eigenaar.

God gaf wel het inwonerschap aan de families en stammen van Israël in Kanaan en vertelde hen dat ze niet het recht hadden om hun bezit voor ALTIJD te verkopen. Als ze op een gegeven moment in een schuldpositie kwamen konden ze het verkopen tot het Jubeljaar, dat om de 49 jaar aantrad (Lev 25:8). Dit betekent dat een familie niet zijn inwonerschap kon verliezen voor meer dan 1 generatie. Dit betekende ook dat iedere burger uiteindelijk een eigen plaats van inwoning had.

Het land behoorde aan God, en niemand had het recht om het voor altijd te verkopen voor altijd kwijt te raken. Hij had alleen de mogelijkheid, om naar zijn eigen wil, het tijdelijk te verliezen, want die mogelijkheid behoorde bij zijn recht en autoriteit over het door God hem toebedeelde deel.

Bedenk dat God alle mensen, kinderen van Adam heeft geschapen, zowel de goede als de kwade. Hij maakte de mensen van het “stof der aarde” (Gen 2:7). God gebruikte materiaal dat hij zelf gemaakt had en om diezelfde reden dus ook EIGENAAR van was. Betekent dit niet dat God alle mensen BEZIT evenals alle STOFFELIJKE en ONSTOFFELIJKE zaken in het hele universum?