Hoofdstuk 3

God is verantwoordelijk voor Zijn schepping

In de heilige wetten met betrekking tot verantwoordelijkheid, legt God een principe neer dat men verantwoordelijk is voor datgene wat hij bezit. Bijvoorbeeld, als een boer een waterput slaat, en vergeet om de basisveiligheidshandelingen uit te voeren, zoals de put bedekken, en als dan de os van de buurman in de put valt en verdrinkt, dan is de eigenaar van de put verantwoordelijk en moet alle schade betalen die zijn buurman heeft opgelopen (Ex 21:33)

Ook, indien iemand een vuur ontsteekt, het laat vallen en het land van zijn buurman vernietigt, dan is diegene die het vuur laat vallen verantwoordelijk, omdat hij het vuur heeft gemaakt en daarom de eigenaar is (Ex 22:6). Dit zijn basisprincipes die de wil van God bepalen als het gaat om rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid tussen mensen.

Indien dit principe wordt toegepast op het grotere geheel, laat dit ons zien dat God verantwoordelijk is voor de gehele schepping omdat Hij alles gemaakt heeft – ook voor de “slechte” dingen die plaatsvinden. God is uiteindelijk verantwoordelijk voor het kwaad dat in de wereld zijn intrede deed. We kunnen niet de duivel de schuld geven, want die heeft niets gemaakt en bezit dus ook niets, tenzij het hem tijdelijk door God gegeven zou worden.

In het geval van de os die in de open waterput viel, kan niet degene die de put niet bedekte zeggen: “Wat een stomme os, die vanwege zijn eigen vrije wil in de put is gevallen!” Zo'n argumentatie zal in de rechtbank geen effect hebben. Het enige relevante feit is dat diegene die de put maakte daar ook verantwoordelijk voor was.

In het geval van Adam en Eva, maakt de Bijbel uitermate duidelijk dat God hen schiep. De “boom” der kennis des goeds en des kwaads, hoe dan ook te interpreteren, veroorzaakte bij hen de verleiding, en de “slang” was de grote verleider. God schiep zowel Adam, Eva, de boom als de slang.

Dat betekent dat God feitelijk “een put” maakte en deze niet bedekte. Vervolgens stapten Adam en Eva, net als die domme os, in de put. Vanwege hun vrije wil hadden ze de mogelijkheid om ver van de put vandaan te blijven. Dit deden ze echter niet. Ze vielen in de put en werden gedood (werden sterfelijk).

Wie is hier nu volgens de heilige wet voor verantwoordelijk? God natuurlijk. Adam en Eva hebben de put niet gemaakt en ook de slang niet. Ze waren alleen dom genoeg om niet bij de put vandaan te blijven. Ze vielen en stierven. Gods eigen wet, bepaalt dat de eigenaar en schepper volledig de schade van de dode “os” moet vergoeden (Ex 21:34)

Met andere woorden, God maakte de wet zo dat Hij Zichzelf schuldig kon stellen aan de val van de mens. Wist God wel wat Hij aan het doen was? Natuurlijk. Hij wist vanaf het allereerste begin dat de wet eiste dat Hij – de Schepper en EIGENAAR van alles – de volledige prijs van deze zonde zou moeten betalen.

Dat is ook de reden waarom Jezus naar de aarde kwam om de volledige prijs van de zonde te betalen. Allereerst had hij de wereld LIEF genoeg om dit te doen (Joh 3:16). Ten tweede verplichtte hij zichzelf door de wet om dit te doen. Op die manier was de wet reeds profetisch. De wet profeteerde dat God in het vlees moest komen als mens, om zodoende de mogelijkheid te hebben om te sterven voor de zonde van de gehele wereld.