Hoofdstuk 8

Dood is de straf op de zonde

Vanaf het begin schrijft Mozes dat de straf op de zonde de dood is, bijvoorbeeld in Deut 30:15,16.

15 Ziet, ik heb u heden voorgesteld het leven, en het goede, en den dood, en het kwade. 16 Want ik gebiede u heden, den HEERE, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, opdat gij levet en vermenigvuldiget, en de HEERE, uw God, u zegene in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.

Hij vertelde het volk dat het overtreden van de wet de dood tot gevolg had. In het NT zegt Paulus het zo in Rom 6:23

23 Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.

Er was dus geen oordeel in Gods wet die eeuwige marteling voorschreef. De straf was de dood.

Jezus Christus kwam om de volle prijs te betalen voor onze zonden en voor de zonden der gehele wereld. Dit betekend niet dat Jezus voor eeuwig in de hel moest branden. Niet eens voor een moment – laat staan voor eeuwig. Hij betaalde de volle prijs door te sterven aan het kruis, niet door voor eeuwig in de hel te branden. Als eindeloze marteling in de hel de werkelijke straf op de zonde is, dan zou Jezus daar nog steeds moeten zijn! We lezen echter dat Jezus moest sterven voor drie dagen om voor eeuwig leven te kunnen geven.

God is niet zo onrechtvaardig om mensen te martelen die hem niet gehoorzamen. De aard van het vuur is geformuleerd in de heilige wet zelf, en de duur van het oordeel is beperkt tot de wet van het jubeljaar.

Vanwege Adam's zonde, zijn alle mensen sterfelijk geworden. Op zich is dat al een straf op de zonde, maar het uiteindelijke oordeel is de “poel des vuurs”, hetgeen de tweede dood is. Opb 20:14. Dit is een ander soort dood. Deze dood spreekt over een komende periode waarin de ongelovigen die het offer van Jezus Christus onwaardig achtten, sterfelijk blijven en moeten leren wat goed en slecht is als dienaren van God.

Uiteindelijk zegt de wet dat indien een mens niet kan betalen voor zijn schuld (die door de zonde automatisch ontstaat), hij als slaaf moet werken om zijn schuld te betalen. Als de schuld te groot is om te betalen, moet hij dus werken (afbetalen) tot het jubeljaar is aangebroken.

De ongelovigen zullen bij het oordeel van de grote witte troon worden veroordeeld om hun schuld als slaaf af te betalen tot het uiteindelijke jubeljaar ze vrij stelt. Het doel hiervan is niet dat hun meesters als tirannen over een groep slaven kunnen heersen! Het doel is gegeven in Jesaja 26:9, waar God zegt:

9 Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid.

Met andere woorden. Het plaatsen van slaven onder hun meesters heeft als doel dat de zondaars op deze aarde de wil van God leren. Hun meesters zullen hen onderwijzen en trainen in de wetten van God. Wat een heerlijke tijd!

Om deze reden spreekt Psalm 130:4 “

4 Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.

Wij vrezen diegenen die de kracht en mogelijkheid hebben om te vergeven. Niet diegenen die weigeren te vergeven na een bepaalde deadline. God wordt vaak gepresenteerd als Diegene die de zonde niet wil of kan vergeven, indien iemands bestaan hier op aarde voorbij is. Het is geen wonder dat er maar zo weinigen zijn die God respecteren. Maar dan zeg ik dat God niet goed vertegenwoordigd is hier op aarde.

Als de tijd komt dat God de aarde regeert door Jezus en zijn gevolg (de “zonen van God” ), dan zullen de naties uitbreken in gejubel en gejuich. Eindelijk zal er werkelijk gerechtigheid en genade te vinden zijn. Zowel op aarde als in de gerechtshoven. Psalm 67:4 zegt

4 De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.

Psalm 72:11 zegt

11 Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.

Later in deze Psalm staat er dat de hele aarde met zijn heerlijkheid zal worden vervuld.

Psalm 86:9 en 10:

9 Al de heidenen (naties), Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren. 10 Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God.