You successfully added to your cart! You can either continue shopping, or checkout now if you'd like.

Note: If you'd like to continue shopping, you can always access your cart from the icon at the upper-right of every page.

Quantity:

Total:

Filters

Categories

DE WETTEN VAN DE TWEEDE KOMST

Een grondige studie van Israëls feesten en hun profetische betekenis voor de wederkomst van Christus. De meeste christenen weten dat het Pascha de timing van Christus 'dood aan het kruis liet zien in Zijn eerste verschijning; maar weinigen begrijpen de betekenis van Trompetten, de Grote Verzoendag en het Loofhuttenfeest. Dit boek leert ook de wetten van Sonship and the Manchild.

Category - Long Book

Hoofdstuk 11

Jezus Komt Voort uit Juda en Jozef

Nu we de twee werken van Christus vanuit de wet hebben uitgelegd gaan we nu over naar hun profetisch patroon die geopenbaard wordt in Juda en Jozef. We weten uit de genealogische optekening in het eerste hoofdstuk van Mattheüs dat Jezus uit de stam van Juda geboren is, en in het bijzonder uit het huis van David. De eerste keer kwam Hij speciaal uit deze lijn om zo in aanmerking te komen om de Scepter, om de wereld mee te regeren, te ontvangen. Over het algemeen weten alle gelovigen dit. Maar wat eigenlijk maar heel weinig gelovigen weten is dat Jezus de tweede keer als Jozef zal komen om Zijn geboorterecht te bevestigen. In dit hoofdstuk wijden wij hierover uit.

Om tot het begrip te komen hoe deze beelden, schaduwen en profetieën vervuld zijn in deze twee zonen van Jakob, moeten we begrijpen wat hun profetische identiteiten zijn. Dit kunnen we vinden in Genesis 48 en 49 waar Jakob zijn zonen zegent en hen hun profetische rollen van het drama wat we vandaag voor ons zien gebeuren schenkt:

8 Juda, jij bent het, jou zullen je broers loven! Je hand zal rusten op de nek van je vijanden; voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen. 9 Juda is een leeuwenwelp; van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon. Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan? 10 De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen. 11 Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok; hij wast zijn kleren in wijn en zijn gewaad in druivenbloed.

Juda moest voorzien in de Koninklijke lijn van rechtmatige heersers van de aarde van Adam tot Jezus Christus. De heerschappij was toevertrouwd aan Adam (Genesis 1:26) die deze autoriteit doorgaf als een koninklijk geboorterecht aan de volgende generatie. Het geboorterecht werd doorgegeven aan Noach en daarna aan Sem. Sem overleefde Abraham in de stad Salem (Jeruzalem), die gebouwd was en regeert werd onder de titel van Melchizedek. Na zijn dood in 2158 na Adam werd het geboorterecht doorgegeven aan Izak, die op dat moment 110 jaar was. Dertien jaar later, toen Izak 123 jaar was en Jakob en Ezau 63 jaar, gaf Izak de geboorterechtzegen door aan Jakob, denkende dat hij dit aan Ezau gaf (Genesis 27).

Jaren later, toen Jakob-Israël op sterven lag, zegende hij zijn zonen. In deze zegen scheidde hij de Koninklijke lijn van het geboorterecht en gaf hij Juda het recht om te heersen. We hebben in de zojuist geciteerde passage gezien dat Jakob Juda met een leeuw vergeleek. Enkele verzen later zegent Jakob Jozef met veel vruchtbaarheid in Genesis 49:22-26:

22 Jozef is een jonge vruchtbare boom, een jonge vruchtbare boom bij een bron. Elk van zijn takken loopt over de muur. 23 Boogschutters hebben hem verbitterd, beschoten en hem gehaat, 24 maar zijn boog bleef gespannen; zijn armen en handen bleven soepel door de handen van de Machtige van Jakob, – vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël – 25 door de God van je vader, Die je zal helpen, en door de Almachtige, Die je zal zegenen met zegeningen uit de hemel van boven, met zegeningen uit de watervloed, die beneden ligt, met zegeningen van borsten en baarmoeder. 26 De zegeningen van je vader gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven, tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels. Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef, ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.

Deze zegen is te vergelijken met de zegen die Izak Jakob vele jaren geleden had gegeven. In feite gaf Jakob het geboorterecht aan Jozef, maar wij worden niet overgelaten aan onze eigen interpreterende vaardigheden om dit te ontdekken. Dit feit wordt namelijk heel duidelijk verklaard in 1 Kronieken 5:1 en 2,

1 De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël – hij was namelijk de eerstgeborene, maar omdat hij het bed van zijn vader geschonden had, is zijn eerstgeboorterecht aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël, gegeven, maar niet zo, dat deze in het geslachtsregister als eerstgeborene werd ingeschreven, 2 want Juda werd machtig onder zijn broers, en een uit hem werd tot vorst, maar het eerstgeboorterecht was van Jozef.

Jozef werd het geboorterecht gegeven, dat het koninkrijk van God Zelf belichaamde. Maar aan Juda werd de scepter gegeven, wat betekende dat de Koninklijke lijn die culmineerde met Jezus Christus uit hem zou komen. Hij werd een leeuw genoemd. Jakob profeteerde over Juda het stervenswerk en de heerschappij dat vervuld zou worden in Jezus, de Leeuw uit de stam van Juda.

Jezus kwam de eerste keer om de profetieën aangaande het huis van Juda te vervullen. Hij werd geboren in Bethlehem van Judea, de Stad van David. De Davidische lijn was van Juda, de lijn die geroepen werd om de Messias voort te brengen. Jezus kwam als de Zoon van David om zo Zijn troonrechten te bevestigen, waardoor Hij in aanmerking kwam om over het Huis van Israël te regeren.

Maar de leeuw moest sterven om de heerschappij te ontvangen. Genesis 49:9-11 beeldt Juda af als een leeuw in een gekromde positie en bedekt met bloed. Dit is een profetisch beeld van de Leeuw van de stam Juda, de Messias door geboorte, die Zijn troon ontving door dood en opstanding.

HET RAADSEL VAN SIMSON: DE DODE LEEUW BRENGT HONING VOORT

Het onderwerp van de dode leeuw wordt verder geïllustreerd in het leven van Simson. Richteren 14:5-17 vertelt het verhaal van het raadsel van Simson over de dode leeuw en de gebeurtenissen die daarop volgden:

5 Zo ging Simson met zijn vader en zijn moeder naar Timna. En toen zij bij de wijngaarden van Timna kwamen, zie, een jonge leeuw kwam hem brullend tegemoet. 6 Toen werd de Geest van de HEERE vaardig over hem, zodat hij hem uiteenscheurde, zoals men een bokje uiteenscheurt, zonder dat hij iets in zijn hand had. Maar hij vertelde zijn vader en moeder niet wat hij gedaan had. 7 Hij ging verder en sprak met de vrouw. En zij was in Simsons ogen de juiste. 8 Toen hij na enkele dagen terugkeerde om haar tot vrouw te nemen, week hij van de weg af om het kadaver van de leeuw te zien. En zie, er zat een bijenzwerm in het lichaam van de leeuw, met honing. 9 Hij nam die honing in zijn handen en liep al etend verder. Hij liep naar zijn vader en zijn moeder en gaf hun er wat van, en zij aten ook. Hij vertelde hun echter niet dat hij de honing uit het lichaam van de leeuw genomen had. 10 Toen ook zijn vader bij de vrouw aangekomen was, richtte Simson daar een maaltijd aan, want zo deden de jongemannen.

11 En het gebeurde, zodra zij hem zagen, dat zij dertig metgezellen uitkozen, die bij hem zouden blijven. 12 En Simson zei tegen hen: Laat mij u toch een raadsel opgeven. Als u mij dat binnen de zeven dagen van deze bruiloft goed kunt uitleggen en kunt ontdekken wat het betekent, zal ik u dertig stel onderkleren geven, en dertig stel bovenkleren. 13 Maar als u het mij niet kunt uitleggen, dan moet u míj dertig stel onderkleren en dertig stel bovenkleren geven. Daarop zeiden zij tegen hem: Geef uw raadsel op en laat het ons horen. 14 Hij zei tegen hen: Eten kwam uit de eter, en zoetigheid kwam uit de sterke. En drie dagen lang konden zij het raadsel niet uitleggen.

15 Toen gebeurde het op de zevende dag dat zij tegen de vrouw van Simson zeiden: Haal uw man over om ons het raadsel uit te leggen. Anders zullen wij u en het huis van uw vader met vuur verbranden. Hebt u ons uitgenodigd om ons ons bezit te ontnemen of zo? 16 Toen ging de vrouw van Simson bij hem zitten huilen en zei: Je haat mij alleen maar en houdt niet van mij. Je hebt mijn volksgenoten een raadsel opgegeven en het mij niet uitgelegd. En hij zei tegen haar: Zie, ik heb het mijn vader en mijn moeder niet eens uitgelegd, zou ik het jou dan wel uitleggen? 17 En zij huilde bij hem op de zevende dag dat zij deze maaltijd hadden. Zo gebeurde het op de zevende dag dat hij het haar uitlegde, want zij bleef bij hem aandringen. Vervolgens legde zij het raadsel uit aan haar volksgenoten. 18 Toen zeiden de mannen van de stad tegen hem, op de zevende dag, voordat de zon onderging: Wat is zoeter dan honing? En wat is sterker dan een leeuw? En hij zei tegen hen: Als u niet met mijn kalf had geploegd, zou u de betekenis van mijn raadsel niet hebben ontdekt. 19 Toen werd de Geest van de HEERE vaardig over hem: hij ging naar de Askelonieten en sloeg dertig man van hen dood. Hij nam hun kleren en gaf een stel daarvan aan elk van hen die het raadsel hadden uitgelegd. Hij was echter in woede ontstoken en keerde weer terug naar het huis van zijn vader. 20 En de vrouw van Simson werd de vrouw van zijn metgezel, die hem vergezeld had.

De zeven dagen waaraan gerefereerd wordt in dit verhaal zijn de zeven dagen van het Feest van Ongezuurde Broden, dat weer refereert aan Pascha, dat de eerste dag van Ongezuurde Broden was. Het antwoord op het raadsel is de dode leeuw waarbij honing voortkomt uit zijn dode lichaam. Het is het raadsel van redding – het Beloofde Land, een land overvloeiende van melk en honing, dat beschikbaar is door de dood van de Leeuw, Jezus Christus. Jezus kwam, stierf met Pascha, en uit Hem komt de honing voort.

De belofte van transfiguratie is eveneens opgenomen in het raadsel. Als de filistijnen het raadsel van redding konden oplossen zouden zij nieuwe klederen krijgen. Als zij faalden moesten zij klederen aan Simson geven. De belofte van transfiguratie is bevestigd door Jezus eerste werk (de dood van de Leeuw), hoewel dit nog niet vervuld is totdat de tijd van het tweede werk aanbreekt. Het raadsel van Pascha is: “Hoe wordt een mens gered? Hoe verkrijgt iemand de verandering van kleding (de kleding van redding, ofwel transfiguratie)?”

De filistijnen (de vleselijke geest) verkregen het antwoord op het feest van Simson, maar zij leerden dit op een onwettige manier. Zij bedreigden de vrouw en het huis van haar vader met vuur. Daarom betaalden zij ook de prijs voor hun onwettige daden. Zij verkregen hun klederen, maar Simson schonk het ze van hun eigen huiden, om het zo maar te zeggen. De filistijnse geest zal haar redding ontvangen, maar zal door het vuur gered worden (1 Kor. 3:15). Wij moeten op een wettige manier naar het antwoord zoeken, namelijk door het aan God te vragen en niet door de dreiging van vuur.

Het raadsel van Simson is het geheim van rechtvaardiging door geloof, hetgeen de vleselijke geest niet kan begrijpen. Het raadsel profeteert van de dood van de ware Leeuw, Jezus Christus, waaruit de honing van rechtvaardiging komt en de redding in Gods Koninkrijk. Het was noodzakelijk voor Hem om bij Zijn eerste verschijning uit deze lijn voor te komen om zo de wettig Koning en Belangrijkste Erfgenaam van de aarde te worden, zoals dit geschonken was aan Adam. Daarnaast zal Hij, bij Zijn tweede verschijning, geopenbaard worden als een tegenbeeld van Jozef zodat Hij op een wettige manier een claim kan leggen op het Geboorterecht - het Koninkrijk – zelf.

JOZEF DE BOODSCHAP VAN HET ZOONSCHAP

Jakob noemt Jozef in Genesis 49:22 een vruchtbare boom (tak). Het woord dat vertaalt is met “boom” is het Hebreeuwse woord ben. Dit betekent “zoon”. Het geboorterecht is essentieel om de belofte van het zoonschap te verkrijgen. Het tweede werk van Christus is een Jozef werk dat ons tot het volledige zoonschap zal brengen, ook wel “de aanneming tot zonen” genoemd.

De broers van Jozef rekende hun zonden toe aan hem door hun handen op hem te leggen. Eerst gooiden ze hem in een put, zodat wij een glimp kunnen opvatten van de profetische verhandelingen als zij zich onthullen. De put stelt Jezus Christus in Zijn eerste werk voor, waarbij Hij stierf en begraven werd. Later werd Jozef eruit gehaald en aan handelaren op weg naar Egypte verkocht.

Dit stelt niveau twee voor, ofwel het tweede werk van Christus dat profetisch geopenbaard wordt. De broers van Jozef haatte hem en maakt hem tot de weggaande bok voor hun zonden. Hierdoor werd Jozef een beeld van de tweede bok. Zij doopten zijn veelkleurig gewaad, dat hem identificeerde als hun heer, een geëerde zoon, in het bloed van een geitenbok (Genesis 37:31). De broers van Jozef wisten niet dat zij aan het profeteren waren over toekomstige zaken. De wet van Mozes zegt dat de tweede vogel gedoopt moest worden in het bloed van de eerste vogel, en dat de tweede bok in de woestijn gezonden moest worden. De broers van Jozef combineerden deze profetische beelden door het gewaad van Jozef in het bloed van een bok te dopen.

Jozef werd vervolgens naar Egypte gebracht, waar hij zich uiteindelijk verhief als macht boven iedereen, op farao na. Hierin was Jozef een beeld van Christus die, na Zijn dood en opstanding, opvaarde tot de Vader en een naam kreeg die verheven is boven alle namen. Aan het einde van de 21 jaar van Jakobs moeilijkheden, waarbij Jakob gescheiden werd van Jozef en dacht dat hij dood was, zond God een hongersnood om het tijdperk aan een einde te laten komen. De broers gingen naar Egypte om graan te kopen waarna Jozef zich uiteindelijk onthulde aan hen.

Jozef nodigde zijn familie uit om naar Egypte te verhuizen en ging toen uit om Jakob te ontmoeten terwijl deze onderweg was (Genesis 46:29). Hij ging uit met zijn wagen, ongetwijfeld getrokken door witte paarden, want dit duidt het meest op de komst van Christus in Openbaringen 19, waar staat dat Hij komt op een wit paard terwijl hij de hemelse legers aanstuurt. Omdat zijn broers hem in slavernij hadden verkocht aan Egypte was Jozef dus in staat om vele mensenlevens te redden. De kwade bedoelingen van hen buigt God om in het goede. En niets van dit alles had kunnen gebeuren als de broers van Jozef zijn gewaad niet in het bloed van de bok hadden gedoopt en hem niet in de woestijn hadden gestuurd.

JUDA, JOZEF EN BENJAMIN

Over de volgende vraag ontstond in vroegere tijd een enorm debat: vanuit welke lijn zou de Messias geboren worden? Er waren verschillende gedachten binnen de leerscholen van rabbi’s. Sommigen dachten de lijn van Juda, op grond van de profetie dat Hij de Zoon van David zou zijn. Anderen dachten de lijn van Jozef, omdat hij de houder van het geboorterecht was. Weer anderen dachten dat Hij door de lijn van Levi zou komen – in het bijzonder de lijn van Aäron – omdat hij de hogepriester was. Uiteindelijk blijken ze allemaal een beetje gelijk te hebben. De Messias in de rol van Hogepriester valt buiten het bereik van deze discussie, daarom willen we u als lezer, wat betreft dat onderwerp, eenvoudigweg verwijzen naar het boek Hebreeën. In plaats daarvan zullen we ons richten op de vervulling van de Messias vanuit het beeld van Juda en Jozef.

Jakob worstelde in Genesis 32:28 met een engel. Deze engel veranderde Jakobs naam in Israël. Vele jaren later, toen Jakob-Israël het einde van zijn leven naderde, gaf hij zijn zegen aan elk van zijn twaalf zonen. Jozef ontving echter een dubbele portie, vanwege het feit dat hij de houder van het geboorterecht was. Daarom adopteerde Jakob de twee zonen van Jozef, Efraïm en Manasse, en maakte hij van hen twee volledige stammen van Israël. Zoals we kunnen lezen in Genesis 48:11-16 gaf Jakob bij de adoptie en zegen van deze zonen van Jozef hen de naam van Israël,

11 En Israël zei tegen Jozef: Ik had niet gedacht je gezicht ooit nog te zien, maar zie, God heeft mij zelfs je nageslacht laten zien. 12 Toen liet Jozef hen bij Jakobs knieën weggaan, en hij boog zich met zijn gezicht ter aarde. 13 Daarna nam Jozef hen beiden: Efraïm aan zijn rechterhand – voor Israël was dat links – en Manasse aan zijn linkerhand – voor Israël was dat rechts. Zo liet hij hen dichter bij hem komen. 14 Maar Israël stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel deze de jongste was, en hij legde zijn linkerhand op het hoofd van Manasse. Hij kruiste zijn handen, hoewel Manasse de eerstgeborene was. 15 En hij zegende Jozef en zei: De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben, de God Die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag, 16 de Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens, zodat door hen mijn naam [Israël] en de naam van mijn vaderen, Abraham en Izak, genoemd zal blijven en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen.

Jakob gaf de naam Israël door aan de zonen van Jozef en niet aan Juda of één van zijn andere zonen. Dit was een erg belangrijke juridische zaak, omdat de zonen van Jozef vanaf toen bewaarders van de naam Israël waren. De enige manier waarop de andere stammen deze naam konden gebruiken was door zich te verenigen met de stammen van Jozef. Daarom stond het hele volk, de hele natie - namelijk de twaalf stammen en de stam van Levi - onder Saul, David en Salomo bekend als het Koninkrijk van Israël.

Alleen werd het koninkrijk na de dood van Salomo verbroken. De stammen van Jozef werden van de stam van Juda afgesplitst. Het huis was verdeeld. De zuidelijke natie die bestond uit de stammen van Juda, Benjamin en een groot gedeelte van Levi stonden officieel bekend als het huis van Juda. De noordelijke tien stammen stonden officieel bekend als het huis van Israël. Omdat deze noordelijke stammen Efraïm en Manasse bevatte, en zij de naam Israël gegeven was, hielden zij het recht om bekend te blijven staan als Israël.

De profeet Ahia vertelde Salomo dat God het koninkrijk zou gaan verdelen. Dit kunnen we lezen in 1 Koningen 11:

28 Nu was de man Jerobeam een harde werker. Toen Salomo zag hoe deze jongeman het werk verrichtte, stelde hij hem aan over de hele lichting werklieden van het huis van Jozef [Israël]. 29 Het gebeurde in die tijd, toen Jerobeam uit Jeruzalem vertrok, dat de profeet Ahia uit Silo hem onderweg aantrof. Deze had zich in een nieuw kleed gehuld en zij beiden waren alleen in het open veld. 30 Toen pakte Ahia het nieuwe kleed dat hij aanhad, en scheurde het in twaalf stukken. 31 Hij zei tegen Jerobeam: Neem er tien stukken van voor uzelf. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo losscheuren en Ik zal u tien stammen geven. 32 Maar één stam zal voor hem zijn, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle stammen van Israël heb verkozen.

Merk op dat God in het bijzonder “het koninkrijk” uit de hand van Salomo en zijn zoon ontnam. Het was NIET het geval dat enkele stammen rebelleerden en zodoende een nieuw koninkrijk vormde. Nee, God oordeelde koning Salomo door het koninkrijk te verdrijven van zijn regering. Dit wordt herhaald in de verzen 34-36, waar we het volgende lezen,

34 Uit zijn hand zal Ik dit hele koninkrijk echter niet nemen, maar Ik zal hem voor al de dagen van zijn leven tot vorst maken, omwille van Mijn dienaar David, die Ik heb verkozen en die Mijn geboden en verordeningen in acht heeft genomen. 35 Maar uit de hand van zijn zoon zal Ik het koningschap nemen en Ik zal u daarvan tien stammen geven. 36 En aan zijn zoon zal Ik één stam geven, zodat Mijn dienaar David alle dagen een lamp voor Mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad die Ik voor Mij heb verkozen om Mijn Naam daar te vestigen.

Na de opstand vestigde het zuidelijke huis van Juda een beperkt koninkrijk, maar dit was niet het koninkrijk van Israël. Het was niet datgene dat beloofd was aan Juda of David. Dit was een splitsing tussen de Scepter en het Geboorterecht. De stam van Benjamin, de jongere broer van Jozef, was aan Juda geschonken om een lamp te zijn voor Juda en Jeruzalem (1 Koningen 11:36). Benjamin was dus verbonden aan zowel Juda als Jozef en had hierdoor een unieke rol als bemiddelaar tussen de twee huizen. Hij was dus op een unieke manier gekozen om te assisteren bij het repareren van de breuk tussen de koning en zijn verloren koninkrijk.

Daarom behoort Benjamin zowel bij Israël als bij Juda, en dit wordt weerspiegelt door de twee namen die hij bij zijn geboorte kreeg (Genesis 35:18). Door zijn moeder werd hij Ben-oni, zoon van mijn “smart”, genoemd, en door zijn vader Benjamin, “zoon van mij rechterhand”. In Jesaja kunnen we een grote profetie vinden van het werk van Jezus als het Lam van God aan het kruis. Jesaja 53:3 noemt Jezus profetisch “man van smarten”. Maar toen dat werk was volbracht voer Jezus op om te zetelen aan de rechterhand van de Vader (Heb. 1:3). Benjamin betekent “zoon van mijn rechterhand”. Dit profeteert van het tweede werk van Christus.

Jezus Christus is uiteindelijk de Heler van de breuk tussen Juda en Israël, de Koning met Zijn Koninkrijk en het Hoofd met Zijn Lichaam. Waar God in geestelijk opzicht mee bezig is openbaart Hij hier op aarde zodat wij Zijn plan en doel met de aarde kunnen gaan begrijpen en de timing van Zijn werken kunnen gaan zien. Het was Benjamins rol om de breuk tussen Israël en Juda te helen. In dit profetische verhaal wordt Jezus voorgesteld als Juda, het Koninkrijk van God als Jozef en de christenen als Benjamin.

Bijna al de discipelen waren Benjaminieten uit Galilea. Hun voorvaderen hadden zich, na hun terugkomst van de Babylonische ballingschap, gevestigd ten noorden van Jeruzalem (Nehemia 11:31-35). Degene van de stam van Juda vestigden zich in hun oude steden vanaf Israël tot het zuiden (Nehemia 11:25-30). Toen Jezus geboren werd stond het territorium van de Benjaminieten bekend als Galilea en die van de Judeeërs simpelweg als Judea.

De discipelen van Jezus vormden de kern van de Nieuwtestamentische Kerk. De meeste volgelingen van Jezus kwamen eveneens uit Galilea. Zodoende was de rol van Benjamin, als zijnde een licht voor Jeruzalem, dus voor God vervuld. De profetie van Jesaja 49:6 ging in vervulling toen zij daadwerkelijk uiteen werden gedreven door vervolging en zodoende een licht werden voor de hele wereld,

6 Hij zei: Het is te gering [d.w.z., het is te gemakkelijk]  dat U voor Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen van Jakob en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen. Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.

DE PROFETIE VAN HET HUIS VAN JOZEF

Het leven van Jozef vestigde een profetisch patroon die zijn nakomelingen in de eeuwen daarna moesten navolgen. Hij werd als slaaf verkocht aan Egypte, waar hij zich uiteindelijk openbaarde in macht. Farao gaf hem een vrouw die hem twee zonen schonk, Efraïm en Manasse. Efraïm betekent “zeer vruchtbaar”, en Manasse betekent “vergeetachtig”. Net zoals Jozef verloren was en voor 21 jaar dood gewaand werd, zo ook waren de stammen van Israël verloren en voor duizenden jaren dood gewaand. De tien stammen van het noordelijke huis van Israël, geleidt door Efraïm en Manasse, werden vaak het huis van Jozef genoemd. (Zie bijvoorbeeld Amos 5:6, Obadja 18 en Zacharia 10:6.)

De stammen van Jozef droegen het geboorterecht en de naam van Israël, die door Jakob zelf aan hen was doorgegeven. Toen deze stammen door Assyrië in 745 tot 721 v.Chr. in ballingschap werden gebracht, leek het erop dat het geboorterecht en de naam Israël zelf verloren waren gegaan. De Messiaanse lijn werd echter behouden door de zuidelijke natie van Juda. De roeping van Juda bestond uit het laten voortkomen van de Koning-Messias, die, net zoals de eerste duif en de eerste bok, voor de zonden van de wereld moest sterven.

In 604 v.Chr. werd het huis van Juda ingenomen en gedeporteerd naar Babylon voor zeventigjarig gevangenschap, waarna zij vervolgens in 534 v.Chr. naar hun eigenlijke territorium terugkeerden. Maar de stammen van Israël keerden NIET samen met hun broeders van Juda terug. Dit is bij alle historici wijd en zijd bekend, want dit staat zeer nauwkeurig beschreven in alle oude aantekeningen. Josephus, de historicus uit Judea uit de eerste eeuw, schreef in Antiquities of the Jews, XI, v, 2,

“… Maar toen bleef het gehele lichaam van het volk van Israël in dat gebied; vandaar dat er maar slechts twee stammen in Azië en Europa aan de Romeinen onderworpen zijn, terwijl de tien stammen zich tot nu toe voorbij de Eufraat bevinden, waar zij een enorme schare vormen, dat niet geteld kan worden.”

In de tijd van Christus en de apostelen was de verblijfplaats van de tien stammen van Israël nog steeds niet bekend. Hun bevolking had zich, rond het gebied van de Zwarte Zee en de Kaspische Zee, enorm vergroot, want daar hadden de Assyriërs hun 700 jaar eerder gebracht. In die tijd waren zij het grootste volk van het Parthische rijk, dat zich in haar kracht en grootte kon meten met het Romeinse rijk. Zij regeerden van 64 v.Chr. tot 225 n.Chr. van de Eufraat tot India. De rivier de Eufraat werd over het algemeen erkend als de grens tussen het Parthische rijk en het Romeinse rijk. Daarom schrijft Josephus ook dat de tien stammen voorbij deze grens in Parthië leefden. Volgens Rawlinson werd er in zijn boek, The Sixth Great Oriental Monorchy, pag. 19, in feite “aangenomen dat hun naam ballingen betekende.” Hoewel niemand aan kan tonen welke ballingen hiermee bedoeld werden, lijkt het aannemelijk dat het refereerde aan Israëls ballingschap naar dat gebied.

Het koninkrijk der Seleuciden dat Judea regeerde werd in 129 v.Chr. verslagen door de Parthen. Koning Antiochus werd samen met 300.000 troepen gedood. Hierdoor konden de Makkabeeën hun onafhankelijkheid doen gelden en zodoende hun buurgebieden overvallen, waardoor zij hun eigen monarchie voor een tijd opnieuw konden invoeren. Wat later kwam Judea in 63 v.Chr. onder het eigendom van het Romeinse rijk terecht, waarbij Pompeuis Jeruzalem innam. Maar toen de Romeinse generaal Crassus tien jaar later Parthen aanviel werd de helft van zijn leger gedood en een kwart gevangen genomen. Ook Crassus kwam hierbij om het leven. In 40 n.Chr. veroverde Parthië Syrië en Judea en verdreven ze de Romeinen uit Klein-Azië. In die tijd werd Antigonus in Judea op de troon gezet. Hij regeerde als Partische satraap tot 37 v.Chr. toen Herodus in naam van Rome Jeruzalem veroverde. Deze Herodus was koning toen Jezus geboren werd.

In diezelfde tijd viel Marcus Antonius met 113.000 troepen Parthië binnen, maar hij verloor zo’n 60.000 man voordat hij zich terugtrok. De volgende crisis deed zich in 2 v.Chr. voor toen de magiërs de nieuwe “Koning van de Judeeërs” kroonde. De magiërs waren een machtige klasse binnen de Parthische nobelheid en werden waarschijnlijk vergezelt door vele troepen om hun giften voor de nieuwe Koning te beschermen. Mattheüs 2:3 zegt ons dat niet alleen koning Herodus, maar “heel Jeruzalem”, in verwarring werd gebracht door dit bezoek. De geschiedenis leert dat in het daarop volgende jaar (1 v.Chr.) een andere Romeinse invasie van Parthië op het nippertje werd gemeden door onderhandeling met de top op een neutraal eiland te midden van de rivier de Eufraat. Dit topoverleg resulteerde voor de komende vijftig jaar in vrede tussen de twee grootmachten, waardoor de geboorte van het christendom zich ongehinderd (door oorlog) kon ontwikkelen.

Hoewel al deze dingen staan opgetekend in geschiedenisboeken worden slechts weinigen onderwezen over Parthië of haar verband met de ballingen van de stam Israël. Toch vervulde de vergrote populatie van Israël (zoals geverifieerd door Josephus) de profetie van Jozef in de naamgeving van zijn zoon “Efraïm”, ofwel “zeer vruchtbaar”. Ook geschiede het volgens het plan van God dat zij bijna totaal verloren waren en voor “dood” gewaand werden, want dit was de profetie van Jozefs andere zoon, Manasse. Weet dat Manasse’s naam “vergeetachtig” betekent, waarna hij genoemd is omdat God ervoor gezorgd had dat Jozef zijn vaders huis vergeten was (Gen. 41:51). Deze naam profeteert van de tijd dat het huis van Israël haar vaders huis zou vergeten, waardoor zij geleidelijk haar bewustzijn van haar wortels in Israël zou vergeten.

Toch vermelden wij haastig dat deze stammen in de laatste dagen, aan het einde van “de tijd van Jakobs verdrukking”, gevonden moeten worden. Het verloren geboorterecht moet hersteld worden. Jozef moet gevonden worden zodat het Koninkrijk van God op aarde tot openbaring kan komen.

De stammen van Israël zijn nooit Joden geweest. De term “Jood” is simpelweg een verkorte versie van het Nieuwtestamentisch Griekse woord Ioudeos, ofwel Judeeër. Joden worden Joden genoemd door hun geschiedenis terug te herleiden tot het volk van Judea (of Juda) in de tijd van Christus. Judea bracht de Messias – de rechtmatige Heerser van het gehele huis van Israël – voort, want dit was de roeping van Juda, de zoon van Jakob. Breng dit in contrast met de stammen van Israël, die door Jozef geleid werden, die de houder van het geboorterecht was en geroepen was om het Koninkrijk van God voort te brengen. Er is van de Joden nooit gezegd dat zij een enorme bevolkingsgroep waren die de profetie in de naam van Efraïm konden vervullen, noch de profetie in naam van Manasse. De reden hiervoor is eenvoudig; zij stammen niet af van Jozef, noch van de tien stammen uit het huis van Israël, en daarom zijn zij niet in staat deze profetieën aangaande Jozef te vervullen.

De profeet Hosea ontvangt veel licht van de profetische dynastie van het huis van Israël. God droeg Hosea op om een hoer, genaamd Gomer, te trouwen om zo Gods niet zo ideale huwelijk met het huis van Israël te weerspiegelen. Israël had namelijk geestelijk overspel begaan door het aanbidden van afgoden. Hosea noemde zijn eerste zoon Jizreël, wat “God verstrooid” betekent, want God had de intentie om het huis van Israël te verstrooien en een einde te maken aan het geboorterechtvolk (Hosea 1:4).

Het lot van Israël wordt verder versterkt in de naam van zijn tweede kind, een dochter genaamd Lo-Ruchama, wat “geen ontferming meer” betekent, en een tweede zoon, Lo-Ammi, wat “niet mijn volk” betekent (Hosea 1:6-9). In hoofdstuk 2 van Hosea spreekt de profeet over dit oordeel als een scheiding. Ofwel, God zou van het huis van Israël gaan scheiden vanwege haar geestelijke overspel. God zei in Hosea 2:1: “Zij is Mijn vrouw niet en Ik ben haar Man niet.” Twee eeuwen later sprak Jeremia over deze scheiding in Jeremia 3:8-10,

8 Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven. 9 Zo gebeurde het dat het land door haar lichtzinnige hoererij ontheiligd werd, want zij pleegde overspel met steen en met hout. 10 Zelfs in dit alles heeft haar trouweloze zuster Juda zich niet tot Mij bekeerd met heel haar hart, maar slechts in schijn, spreekt de HEERE.

Een eeuw na de profetie van Hosea scheidde God van het huis van Israël. God spoorde de Assyriërs aan om de tien stammen van het huis van Israël te verwijderen uit Zijn huis in het land Kanaän. De deportatie begon in 745 v.Chr. en duurde 24 jaar. Ten slotte werd Samaria, de hoofdstad, bezet in 721 v.Chr. God stuurde haar uit Zijn huis met een echtscheidingsbrief, zoals dit voorgeschreven wordt door de wet in Deut. 24:1-4. Toch zegt Hosea later in 2:14 dat God Israël opnieuw het hof zal maken en Zich, terwijl zij in de woestijn is, opnieuw met haar zal verloven. Hosea 2 zegt,

18 Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen: ja, Ik zal u tot Mijn bruid nemen in gerechtigheid en in recht, in goedertierenheid en in barmhartigheid. 19 In trouw zal Ik u voor Mij als bruid nemen; en u zult de HEERE kennen. 20 Op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik zal verhoren. Ik zal de hemel verhoren en die zal de aarde verhoren.

21 Dan zal de aarde het koren, de nieuwe wijn en de olie verhoren, en die zullen Jizreël verhoren. 22 En Ik zal haar voor Mij in de aarde zaaien en Mij ontfermen over Lo-Ruchama. Ik zal zeggen tegen Lo-Ammi: U bent Mijn volk, en hij zal zeggen: Mijn God!

Met andere woorden zegt Hosea dat, hoewel God van het huis van Israël gescheiden is en haar uit Zijn huis naar het land van Assyrië gezonden heeft, God op een moment in de toekomst haar wederom het hof zal maken, Zich zal verloven met haar en haar opnieuw zal huwen. Hosea zegt dat God Israël niet voor altijd weg zal sturen, maar haar, ergens in de toekomst, zal herstellen. Jizreël, de zoon van Hosea, wiens naam “God verstrooit” betekent, profeteerde van de vernietiging van Israël en haar verstrooiing in het land van Assyrië; maar Jizreël betekent ook “God zaait”, zoals we kunnen opmaken uit zojuist geciteerde Hosea 2:22.

De naam heeft een dubbele betekenis, want om zaad te zaaien moet men het eerst (ver)strooien in de akker. In deze profetie openbaart God Zijn ultieme intentie om het huis van Israël te verstrooien. Dit deed Hij om haar in de aarde te zaaien. Het zaad moet sterven om vrucht te dragen. Israël stierf als een natie zodat zij verborgen zou worden in de akker (“de wereld”) tot aan het einde der dagen. Pas dan zal het verloren Israël gevonden worden, net zoals Jozef gevonden werd nadat hij verborgen was geweest in Egypte.

De betekenis van Jirzeël weerspiegelt het zaaien van het zaad (Israël) in de akker (wereld) met als doel het voortbrengen van vele zonen. De kinderen van Israël zouden ontelbaar worden als de zandkorrels van de zee en bekend staan als “kinderen van de levende God” (Hosea 1:10). Door heel de geschiedenis (tijdperk) van de Kerk heen zijn wij zonen in training geweest. Deze training vind haar eindpunt in het tweede werk van Christus – het werk van Jozef, de “vruchtbare boom (zoon)” die ons de “aanneming tot kinderen” zal brengen, zoals dit in het Nieuwe Testament beschreven wordt door Paulus. Als Jezus opnieuw verschijnt, zoals beschreven in Openbaringen 19, komende op een wit paard, dan is Zijn bovenkleed gedoopt in bloed. Hij zal komen als de Zoon van Jozef, wiens geboorterechtkleed in bloed gedoopt was. Dit is de vervulling van de tweede vogel die in het open veld losgelaten wordt.

Deze profetie kan het beste uitgelegd worden in een korte gelijkenis die Jezus vertelde in Mattheüs 13:44, waar Hij zegt,

44 Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die iemand vond en verborg; en van blijdschap daarover gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft, en koopt die akker.

Exodus 19:5 zegt ons dat Israël Gods “persoonlijk eigendom” (“kostbaar bezit”, NBV; “peculair treasure”, KJV) was. Toen God Israël zoals het zaad in de akker verstrooide, verborg God Israël in de volken, net zoals Jozef in Egypte verborgen was. Ezechiël 34:6 zegt,

6 Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar ze vraagt, en niemand die ze zoekt.

De wet in Deuteronomium 22:1-3 eist dat we moeten zorgen voor het verloren schaap (en andere bezittingen) van onze broeder tot aan het moment dat hij ze van ons eist. Ezechiël 34 is een aanklacht jegens de herders die weigeren te zoeken naar de verloren schapen van Israël en die verzaken te zorgen voor hen tot aan het moment dat Hij komt. Omdat de herders weigerden te zoeken naar Israël zegt God in de verzen 11 en 16 het volgende tegen hen,

11 Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan… 16 Het verlorene zal Ik zoeken, het afgedwaalde zal Ik terugbrengen, het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik versterken, maar het welgedane en het sterke zal Ik wegvagen. Ik zal ze weiden zoals het hoort [letterlijk: met recht].

Jezus kwam naar de aarde om deze profetie te vervullen. Hij zei in Mattheüs 15:24: “Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.” Daarom is Jezus de man in de gelijkenis van Mattheüs 13:44. Hij is degene die Zijn verloren schapen vindt. Maar Hij is ook degene die, zoals de gelijkenis vertelt, ze vervolgens weer verbergt, nadat Hij ze gevonden heeft. Hij verkocht al wat Hij had – ofwel, Hij zette de heerlijkheid in de hemel aan de kant om als arme man naar de aarde te gaan, om ten slotte Zijn eigen leven te geven om Zijn volk van hun zonden te redden.

Maar de gelijkenis beperkt Zijn werk niet tot Israël, want Hij kwam niet alleen om de verborgen schat te vinden, maar in plaats daarvan kocht Hij de gehele akker (de wereld) om zo de verborgen schat te verkrijgen. Toen de mensen in vroege tijden nog geen banken hadden om hun geld te bewaren verborgen zij gewoonlijk hun schat door het te begraven in hun akker. Als het gebeurde dat een andere man deze schat vond kon hij deze niet wettelijke voor zichzelf opeisen, want hij bezat de akker niet. Pas als hij de hele akker kocht kon hij alles opeisen wat erin verborgen was.

Jezus was geen dief. Toen Hij de schat vond verkreeg kocht Hij de gehele akker om zo wettelijk de schat op te eisen.

Deze gelijkenis legt uit hoe de profetie van Hosea over Jizreël vervuld moest worden. God verstrooide Israël in 721 v.Chr. waarmee Hij ze in de akker zaaide om zo een grote oogst van mensen voort te brengen voor Zijn Koninkrijk. Paulus legt het in Romeinen 11:11 en 12 op de volgende manier uit,

11 Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen [Grieks: ethnos, “volken”] gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken. 12 Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en het feit dat zij achteropkomen rijkdom voor de heidenen [“volken”], hoeveel te meer hun volheid!

Het tweede werk van Christus, dat aangeduid wordt door de wet van de tweede vogel en de tweede bok, is een Jozef werk. Dit staat tegenover Zijn eerste werk, dat een Juda werk was. Het Juda werk moest de Messias als lijdende Dienstknecht, die voor onze zonden zou sterven, voort brengen; het Jozef werk zal de wereld redden door de verkondiging van het Evangelie van het Koninkrijk aan alle volken.

Gods plan was werkelijk verbazingwekkend wonderlijk. Want Hij beschikte dat Israël zou struikelen, opdat de wereld gered zou worden tijdens haar bijeen vergadering. Dit plan werd het beste door Jozef verklaard, die de soevereiniteit van God ging begrijpen. Toen Jakob stierf vreesden de broers van Jozefs voor hun leven, omdat Jozef misschien wel wraak zou nemen voor het feit dat ze hem verkocht hadden als slaaf aan Egypte. Maar Jozef overzag het geheel, want we lezen in Genesis 50:19 en 20,

19 Jozef zei daarop tegen hen: Wees niet bevreesd, want sta ik soms op de plaats van God? 20 Jullie weliswaar, jullie hebben kwaad tegen mij bedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals het op deze dag is: een groot volk in leven te houden.

Deze geloofsbelijdenis verklaart Gods doel en reden waarom Jozef als slaaf aan Egypte verkocht moest worden. Het laat ons zien dat God Zelf achter de schermen in deze gebeurtenissen bezig was, met goede bedoelingen binnen het lange termijn plan. Jozefs getuigenis over zijn eigen situatie is jaren later toepasbaar op het huis van Israël. God had de bedoeling om het huis van Israël (de stammen van Jozef) te verstrooien, want dit zal ten slotte resulteren in de redding van de hele wereld; ofwel, het was bedoeld om “een groot volk in leven te houden”.

HOE ISRAËL VERLOREN RAAKTE

Toen de profetieën van Hosea over Israëls vernietiging vervuld waren (zoals opgetekend in 2 Koningen 17:6, 18:9), werd zij door andere volken niet meer “Israël” genoemd. Rond die tijd werd zij bekend als Beth-Ghomri, Beth-Khumri, ofwel “Huis van Omri”. Omri was één van de grootste koningen van Israël (1 Kon. 16:25) en hij was het die voor het eerst contact legde met Assyrië. Omri was de vader van Israëls koning Achab. Deze naam (die in het Hebreeuws als Ghomri wordt uitgesproken) duikt bij vele oude stenen aantekening op, waaronder de beroemde zwarte obelisk van Salamanezer, de Assyrische koning die de Israëlieten veroverde en naar Assyrië deporteerde. 2 Koningen 18:9-11 zegt ons,

9 Het gebeurde nu in het vierde jaar van koning Hizkia – dat is het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël – dat Salmaneser, de koning van Assyrië, optrok tegen Samaria en het belegerde. 10 Zij namen het na verloop van drie jaar in, in het zesde jaar van Hizkia. Het was het negende jaar van Hosea, de koning van Israël, toen Samaria ingenomen werd. 11 De koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië en bracht hen onder in Halah en in Habor, bij de rivier Gozan en in de steden van Medië.

De naam Ghomri was een licht gemodificeerde versie van de naam Gomer, de vrouw van Hosea. Daarnaast werd Israël onder de regering van koning Hosea in ballingschap weggevoerd. Wij zien dus dat de profeet Hosea en zijn vrouw Gomer zelf een profetie waren van het feit dat koning Hosea en Israël (Ghomri) in ballingschap werden weggevoerd. De profeet werd samen met zijn hoervrouw profetisch genaamd, en deze profetie werd twee eeuwen later door koning Hosea en Ghomri-Israël vervuld. Dit was een zeer opvallende profetie dat in vele profetische onderwijzingen niet correct wordt begrepen.

God zag erop toe dat Israël verloren raakte en voor dood gewaand werd, net zoals hun vader Jozef overkomen was. God deed dit door hen de geboorterechtnaam Israël af te nemen. Net zoals Jozef zelf ook een andere naam kreeg, zo kreeg Israël ook andere namen. In Genesis 41:45 lezen we dat Farao Jozef hem de nieuwe naam Zafnath Paäneah geeft, dat “schatkamer van het verheerlijkte overblijfsel” betekent. In de concordantie van Strong heeft deze naam nummer 6847. Het eerste gedeelte van zijn naam: Zafnath, staat in relatie tot Zaphan of Tsaphan, dat “verbergen door bedekken” betekent. Tsaphan is nummer 6845 in de concordantie van Strong. Dit was Jozefs naam terwijl hij in Egypte verborgen was. Deze naam is profetisch voor zijn nakomelingen in de Assyrische ballingschap, want zij zijn de in de akker verborgen schat waar Jezus in Zijn gelijkenis aan refereerde.

De ballingennaam van Israël was volgens Hosea, Gomer of Ghomri. Alle historici van vandaag zijn het ermee eens dat in de eeuwen daarna de naam Ghomri als Khumri, Humria en Cymri gespeld werd. Zij zijn de stamvaders van de Kelten, die een groot deel van Europa, Wales en Ierland bevolkten. Het volk uit Wales refereert zichzelf vandaag de dag nog steeds aan Khumri, waarbij ze de voorkeur aan hun oude, door de Assyriërs geschonken en door Hosea geprofeteerde, naam geven.

Vele profetie-uitleggers vandaag de dag weten dat dit volk van “Gomer” afstamt, maar zij vergissen zich door Gomer te identificeren met de Gomer in Genesis 10:2. Die Gomer is de zoon van Jafeth, en niet de vrouw van Hosea. Vanwege deze reden heeft men gedacht dat het Kaukasische volk uit Europa van Jafeth, in plaats van Israël, afstamt. Dit is een heel duidelijke geschiedkundige fout. Er is geen stukje bewijs te vinden in de Assyrische analen dat de Ghomri haar oorsprong in Jafeth heeft. In plaats daarvan identificeren alle monumenten Israël volgens de naam: “Huis van Omri (Ghomri)”.

Ziet u hoe slim God deze afstammelingen van Jozef-Israël verborgen heeft, door hen de naam van de zoon van Jafeth te geven! Durft iemand er aan te twijfelen dat God deze verwarring heeft veroorzaakt om zo de profetie inherent aan de naam van Manasse te vervullen? Toch wordt dit heel duidelijk bewezen door de profeet Hosea, wiens vrouw dezelfde naam heeft als de zoon van Jafeth. God zag toe hoe de Assyriërs de Israëlieten naar het gebied ten zuiden van het Kaukasus gebergte, tussen de Zwarte en de Kaspische Zee, deporteerden. Omdat velen van hen voorbij het Kaukasus gebergte migreerden en hun intrede in Europa deden, noemt de historici hen Kaukaziërs.

De Behistun Steen (Steen van Rosetta) (de tombe van Darius van Perzië) is een berg waarop in drie talen alle etnische volken staan geschreven waarover deze koning regeerde. Onder hen bevinden zich de Gimirri (Ghomri). In de parallelle inscripties worden zij Scythians genoemd (dat uitgesproken wordt als Sakka). Met andere woorden, de Steen van Rosetta is een oude inscriptie ten zijde van een berg, waarmee bewezen wordt dat de Israëlieten in één taal door andere volken Ghomri genoemd worden en in een andere taal Scythians (Sakka). Dit is in feite hetzelfde volk. Dit volk werd in de Griekse geschiedenisboeken van Herodotus Sacae genoemd. In Romeinse geschiedenisboeken werden zij Saxons genoemd. Dit was een en hetzelfde volk, maar hun namen verschillenden naar gelang van de vertalingen van de historici die hun beschreef. Het ware in feite Israëlieten, of eigenlijk ex-Israëlieten in de diaspora, van wie God de geboorterechtnaam had ontnomen om hen zodoende tot aan het einde der tijden in de wereld te verbergen.

We zijn nu nabij het einde. Jozef is gevonden. Hij was voor vele jaren in het volle aangezicht verborgen. Het verloren geboorterecht wordt nu herstelt. De zonen van God worden spoedig geopenbaard. Wij zullen het tweede werk van Christus gaan aanschouwen, en dit zal het Koninkrijk van God tot volle openbaring brengen. Het zal niet langer verborgen in de akker begraven liggen. 

De Joodse staat “Israël” is NIET het Israël uit de Bijbel. Juda is nooit de naam Israël gegeven, noch zijn zij de erfgenamen van het geboorterecht. In 1948 eiste zij de geboorterechtnaam van Israël op om zo de roeping van Jozef te vervullen, maar zij zijn absoluut niet in staat om de zonen van God voort te brengen, want hiertoe zijn zij niet opgeroepen. De bedoeling van de roeping van Juda was om de Messias Koning voort te brengen en dit hebben ze ook 2000 jaar geleden volmaakt gedaan. (Zie ons boek: The Struggle for the Birthright, voor een complete studie over de rol van de Israëlische staat binnen Bijbelse profetieën.)

De priesters naar de ordening van Aäron uit de stam van Levi waren geroepen om Hem te offeren als een Slachtoffer voor de zonde om het werk van de eerste duif en de eerste bok te vervullen. Zij hebben hun taak eveneens volmaakt volbracht. Maar noch Juda, noch Levi waren geroepen om het Koninkrijk van God als het tweede werk van Christus te vestigen. Dit was Jozefs geboorterechtroeping. Zolang we naar de Joden blijven kijken in de verwachting om de roeping van Jozef te vervullen zullen we constant teleurgesteld worden. Maar de dag komt steeds dichterbij waarin God deze zaak zal ophelderen, want Hij heeft in Ezechiël 34 voorzegd dat Hijzelf Zijn verloren schapen zal zoeken en ze ook zal vinden.

BEN-ONI – BENJAMIN EN BETHLEHEM EFRATHA

Rachel, de vrouw van Jakob, beviel van Benjamin in Bethlehem (Gen. 35:16-18). Toen Benjamin geboren werd noemde Rachel, die stierf tijdens zijn geboorte, hem Ben-oni, dat “zoon van smarten” betekent. Jezus was een man (zoon) van smarten, bekend met ziekte (Jesaja 53:3). Bij Zijn eerste komst werd Hij geboren in Bethlehem, dat een profetie is waarmee de locatie van Zijn eerste (dood) werk wordt geïdentificeerd. Maria moest het volhouden om Jezus op te geven en Hem te zien sterven, wat leek op de manier waarop Rachel stierf. Maar Jakob noemde zijn zoon Benjamin, dat “zoon van mijn rechterhand” betekent (Gen. 35:16-18). Dit gaat over het tweede werk, want Jezus kwam als de man van smarten, voer op ten hemel en zetelde aan de rechterhand van de Vader (Markus 16:19).

Micha profeteerde dat Jezus geboren zou worden in Bethlehem Efratha (Micha 5:1). Deze twee namen zijn een geweldige profetie over de twee werken van Christus. Jezus werd geboren in Bethlehem in Judea (Mat. 2:1). Ofwel, Zijn eerste werk was een Juda werk. Maar Zijn tweede werk zal een Jozef werk zijn en Efratha is simpelweg de enkelvoudsvorm van Efraïm. Dus de profetie van Micha bevat de twee komsten van Christus in zich – de eerste in Judea (Juda) en de tweede in Jozef (Efraïm).

Toen Rachel stierf tijdens de geboorte van Benjamin was zei op reis naar Efratha. Efratha refereert profetisch aan Zijn tweede werk, het werk van zoonschap, waarbij Christus vruchtbaar wordt en Zichzelf in ons op de aarde voortbrengt, waardoor vele zonen tot heerlijkheid gebracht worden. Jozef was een vruchtbare boom (Gen. 49:22). Dit is een belofte van zoonschap, dat refereert aan het tweede werk van Christus, dat het volbrachte eerste werk als voorwaarde heeft. De zonde van iemand moet door het bloed van Jezus Christus bedekt zijn voordat Christus zal komen als de tweede bok om de zonde weg te nemen.

KALEB EN JOZUA

De naam “Jezus” in het Nieuwe Testament is equivalent aan de naam “Jozua” in het Oude Testament. (Zie Hebreeën 4:8, waar Jozua Jezus genoemd wordt.) Jozua was de opvolger van Mozes die Israël het Beloofde Land in leidde. Hij was een beeld van Christus. Maar Jozua kwam niet uit de stam van Juda, maar van Efraïm, de zoon van Jozef (Numeri 13:8). Mozes stuurde twaalf verkenners naar Kanaän, die in Numeri 13 naar hun stam gerangschikt staan. Vers 6 zegt ons dat Kaleb van Juda was, terwijl vers 8 vermeldt dat Jozua van Efraïm was.

6 Uit de stam Juda: Kaleb, de zoon van Jefunne… 8 Uit de stam Efraïm: Hosea, de zoon van Nun.

Vers 16 zegt ons dat Hosea eigenlijk Jozua is:

16 Dit zijn de namen van de mannen die Mozes stuurde om het land te verkennen. En Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua.

Dit waren de twee verkenners die het geloof hadden om het Koninkrijk in te gaan. De andere tien verkenners gaven een slecht verslag. Het volk geloofde het slechte verslag waardoor die generatie zichzelf diskwalificeerde om Kanaän binnen te gaan.

Kaleb en Jozua zijn beiden beelden van Christus. Kaleb de Judeeër is een beeld van Christus in Zijn eerste komst, terwijl Jozua de Efraïmiet een beeld van Christus is in Zijn tweede komst. Beiden waren belangrijk omdat zij allebei Gods getuigen waren voor het vestigen van Zijn Koninkrijk. Toen Jezus 2000 jaar geleden in Bethlehem geboren werd, werd Hij uit Juda geboren, waarmee Kaleb als getuige vervuld werd. Hij moet nogmaals komen in de hoedanigheid van Jozua de Efraïmiet voordat we de woestijn van Pinksteren kunnen achterlaten en het Beloofde Land van het Loofhuttenfeest in kunnen gaan.

Vele Bijbelleraren weten en begrijpen dat Jozua een beeld van Christus was die ons in het Koninkrijk van God zal leidden. De naam Jezus is simpelweg de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Yeshua of Jozua. Velen hebben zich daarom ook ongetwijfeld verwonderd waarom Jozua, in tegenstelling tot Jezus, niet eens van de stam van Juda was. Het bestuderen van de twee werken van Christus en de geschiedenis van Juda en Jozef verklaart het profetische beeld. De tweede keer moet Hij als Jozef, aan wie het geboorterecht gegeven was, komen om zo de zonen van God op aarde te openbaren. Dit zal gedaan worden door middel van het Loofhuttenfeest.