You successfully added to your cart! You can either continue shopping, or checkout now if you'd like.

Note: If you'd like to continue shopping, you can always access your cart from the icon at the upper-right of every page.

Quantity:

Total:

Filters

Categories

DE WETTEN VAN DE TWEEDE KOMST

Een grondige studie van Israëls feesten en hun profetische betekenis voor de wederkomst van Christus. De meeste christenen weten dat het Pascha de timing van Christus 'dood aan het kruis liet zien in Zijn eerste verschijning; maar weinigen begrijpen de betekenis van Trompetten, de Grote Verzoendag en het Loofhuttenfeest. Dit boek leert ook de wetten van Sonship and the Manchild.

Category - Long Book

Hoofdstuk 3

De Verzoendag en het Jubeljaar

De Verzoendag was een dag van vasten en berouw die één keer per jaar op de tiende dag van de zevende maand (Lev. 23:27) gehouden werd. Dit was negen dagen na het Feest van de Bazuinen:

27 Alleen op de tiende dag van deze zevende maand is de Verzoendag. U moet een heilige samenkomst houden. U moet uzelf dan verootmoedigen en de HEERE een vuuroffer aanbieden. 28 Op diezelfde dag mag u geen enkel werk doen, want het is de Verzoendag, om voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verzoening voor u te doen.

Dit was een dag waarop een ieder zijn ziel vernederde. Dit was een Hebreeuws idioom dat “vasten” betekende. Deze dag komt een aantal keer voor in de Schriften, inclusief in Jesaja’s opmerkingen over de Verzoendag in Jesaja 58. De profeet vertelt ons dat het onderliggende doel van de Verzoendag niet zo zeer vasten is, maar dat het een dag is waarop mensen vrij worden gemaakt en de hongerigen worden gevoed. Met andere woorden, het is het Jubeljaar waarbij de gevangenen vrij komen.

Het ceremoniële ritueel van de twee bokken dat de priesters elk jaar moesten doen op de Verzoendag is opgetekend in Leviticus 16. Maar omdat we hier uitvoeriger op in zullen gaan in hoofdstuk 10, waarbij we de “Twee Werken van Christus” zullen gaan behandelen, laten we dit ritueel even voor wat het is. In plaats daarvan zullen we ons richten op het Jubeljaargedeelte van deze dag en waarom de Jubeljaartrompet geblazen moest worden op de Verzoendag in het vijftigste jaar.

Elke 49 jaar werd de Verzoendag verwisseld met het blazen op de trompet van het Jubeljaar. In plaats van rouwen en vasten was het een dag van verheugen en jubelen. Dit kunnen we lezen in Leviticus 25:8-13,

8 Verder moet u voor uzelf zeven sabbatsjaren tellen, zeven keer zeven jaar, zodat de perioden van de zeven sabbatsjaren negenenveertig jaar voor u zijn. 9 Dan moet u in de zevende maand, op de tiende dag van de maand, bazuingeschal laten klinken. Op de Verzoendag moet u de bazuin in heel uw land laten klinken. 10 U moet het vijftigste jaar heiligen en vrijlating in het land uitroepen voor alle bewoners ervan. Het is jubeljaar voor u: ieder zal terugkeren naar zijn eigen bezit en ieder zal terugkeren naar zijn familie. 11 Elk vijftigste jaar moet jubeljaar voor u zijn. U mag dan niet zaaien, niet oogsten wat er na uw laatste oogst nog opkomt, en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok mag u niet plukken, 12 want het is jubeljaar. Het moet heilig voor u zijn. U mag van de akker eten wat het uit zichzelf opbrengt.

13 In dit jubeljaar mag u terugkeren, ieder naar zijn eigen bezit.

Dit is de basiswet van de Verzoendag en het Jubeljaar. De tijd was verdeeld in zevenjaar “weken”. Elk zevende jaar was een sabbatsjaar waarbij het land rustte, waarbij niemand het land mocht inzaaien of oogsten. Het hele volk had een jaar vrij om andere belangrijkere zaken na te streven. Alle schulden werden gedurende dat jaar vrijgescholden, want er was geen inkomen waarmee de schuld afgelost kon worden. Toch werd door het sabbatjaar de schuld niet permanent vrijgescholden, want in het achtste jaar en verder moest de schuld gewoon weer ingelost worden.

Het Jubeljaar was anders. Aan het einde van zeven sabbatsjaren, na 49 jaar, ving het Jubeljaar aan. Het sabbatjaar eindigde in de herfst op het Feest van de Bazuinen, waarna 10 dagen in het 50e jaar vervolgens op de trompet van het Jubeljaar werd geblazen. Dit was het signaal voor een permanente ontheffing van alle onafbetaalde schulden. Een ieder die zijn land door schuld was verloren kon terugkeren naar zijn erfenis en deze opeisen.

Voordat we de profetische betekenis van deze dag aantonen moeten we eerst haar geschiedenis en instelling begrijpen.

HET VIJFTIGSTE  JUBELJAAR VANAF ADAM

Vlak voor het 50e Jubeljaar vanaf Adam bevrijde God Israël uit Egypte. Het was Gods bedoeling om Israël de mogelijkheid te geven om terug te keren in haar erfenis in het land Kanaän op het Jubeljaar. Als de twaalf verkenners een goed verslag hadden gegeven in Numeri 13 en als de priesters op de trompet van het Jubeljaar hadden geblazen hadden ze werkelijk het festival van het Jubeljaar op die dag vervuld. Ze hadden dan kunnen terugkeren tot hun bezit, namelijk het land dat God Abraham gegeven had. Israël zou Kanaän dan vijf dagen later ingegaan zijn op de eerste dag van het Loofhuttenfeest. Wij geloven dat de Kanaänieten wel binnen een week tot God bekeerd waren (in plaats van door ze te overwinnen door oorlog). Theoretisch gesproken zou Israël dan het Loofhuttenfeest op de 8e dag vervuld hebben en zou zodoende het Koninkrijk van God op aarde volledig gevestigd zijn.

Dit was zekerlijk de wil van God, want Hij had hen gezegd Kanaän binnen te gaan; toch was het op dat moment niet Gods overkoepelende plan, want zulke gebeurtenissen hadden nooit plaats kunnen vinden zonder het werk aan het Kruis. Dit is de reden dat de ware vervulling van de feesten op een later tijdstip moest wachten. Toch werden de patronen gevestigd onder Mozes en zijn deze heden ten dage erg leerzaam voor ons.

De eerste vraag die we binnen deze sectie vast moeten stellen is de vraag over timing en bedoeling. Hoe weten we dat de twaalf verkenners hun slechte verslag uitbrachten op het 50e Jubeljaar vanaf Adam? En waarom was het belangrijk dat zij terugkeerden tot hun erfenis in Kanaän op het Jubeljaar? Voor een complete studie over de chronologie van Adam tot Mozes verwijzen wij u naar hoofdstuk twee van ons boek “Secrets of Time”. In dit boek zullen we nu een korte samenvatting behandelen.

Genesis 5 en 11 geven ons een basale chronologie van Adam tot Abraham en zijn ontworpen om Gods Jubeljaarkalender vast te stellen in de menselijke geschiedenis. De vloed kwam na 1656 jaar vanaf Adam. Abraham is krap drie eeuwen later geboren in het jaar 1948 (vanaf Adam). Abraham was 100 jaar in 2048 toen Izak geboren werd. En, zoals we snel gedetailleerder zullen aantonen, blijkt uit de Schriften dat 400 jaar na de geboorte van Izak de uittocht uit Egypte plaats vond in het jaar 2448. Anderhalf jaar later brachten de verkenners in de herfst hun slechte verslag uit. Omdat de jaren toentertijd in de herfst begonnen was het begin van het jaar 2450.

Laws-Of-The-Second-Coming-Chapter-3-Img-1.png

De Jubeljaren worden niet specifiek aangeduid tot de tijd van Mozes aanbreekt, waar in de goddelijke wet op de tiende dag, op de Verzoendag, van het vijftigste jaar op de trompet van het Jubeljaar geblazen moest worden. Aan Israël werd de mogelijkheid gegeven om het Jubeljaar uit te roepen en het land Kanaän op de goddelijke voorbestemde tijd in te gaan, op het Jubeljaar der Jubeljaren. Natuurlijk deden ze dit niet waardoor de vervulling van het Loofhuttenfeest vertraagd werd tot een later moment (dat God allang had voorzien). Vandaar dat ze dit jaarlijks moesten herdenken als de Verzoendag, een dag van berouw vanwege de weigering om de erfenis binnen te gaan en het Koninkrijk van God te stichten.

We behandelen dit niet als onomstotelijke bewijs, maar slechts als opsomming van datgene wat we meer uitvoerig hebben beschreven in het boek “Secrets of Time”. Toch vinden wij het belangrijk om in meer detail onze verklaring van de 400 jaar vanaf Izaks geboorte tot de uittocht uit Egypte uit te leggen, omdat de meeste mensen geleerd hebben dat Israël de totale 400 jaar in Egypte heeft doorgebracht.

ISRAËLS ERFENIS IN KANAÄN

We lezen in Genesis 15 dat God Abram het land Kanaän als erfenis gaf. Hij leidde Abram uit het land van de Chaldeeën (Babylonië) en bracht hem in Kanaän, waar hij slechts als “vreemdeling en bijwoner” leefde (Gen. 23:4). Met andere woorden, waar Abram leefde bezat hij totaal geen land, met uitzondering van de grafgrot die hij zich kon toe-eigenen toen zijn vrouw Sara overleed.

En hoewel Abram nooit de belofte beërfde geloofde hij wel in de belofte van God aan hem en eigende hij dit door geloof toe voor zijn nageslacht. Gods belofte werd wettig verklaard door een verbond in Genesis 15:7-21,

7 Verder zei Hij tegen hem: Ik ben de HEERE, Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heb, om u dit land te geven om het in bezit te hebben. 8 Hij zei: Heere HEERE, waardoor zal ik weten dat ik het in bezit zal krijgen? 9 Hij zei tegen hem: Haal voor Mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif. 10 Hij haalde al deze dieren voor Hem, deelde ze doormidden en legde de stukken tegenover elkaar; de vogels deelde hij echter niet. 11 Er kwamen roofvogels op de kadavers af, maar Abram joeg die weg. 12 En het gebeurde, toen de zon bijna onderging, dat er een diepe slaap op Abram viel. En zie, een grote, schrikwekkende duisternis viel op hem. 13 Toen zei God tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken. 14 Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken. 15 Maar ú zult in vrede tot uw vaderen heengaan; u zult in goede ouderdom begraven worden. 16 De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol. 17 En het gebeurde dat de zon onderging en het donker werd; en zie, er was een rokende oven en een brandende fakkel, die tussen die stukken doorging. 18 Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat.

Ons wordt in vers 13 vertelt dat God de intentie heeft om de nakomelingen van Abram gedurende 400 jaar als vreemdelingen te laten zijn in een land dat niet van hun is. De aantekening van dr. Bullinger zeggen het volgende over dit vers in The Companion Bible: “De 400 jaar dateren vanaf Izaks geboorte (Hand. 7:6)”. In Bijbelse zin begon het zaad van Abram met Izak, want God zei in Gen. 21:12: “want alleen het nageslacht van Izak zal uw nageslacht genoemd worden.” Izak werd als vreemdeling geboren in Kanaän – een land dat niet van hem was. Hoewel hij 180 jaar werd (Gen. 35:28) beërfde Izak, net  zoals zijn vader, het land Kanaän niet.

De eerste zoon van Abram (door Hagar, zijn andere vrouw) heette Ismaël. Ismaël was 14 jaar ouder dan Izak. Toen hij leerde dat hij niet het beloofde zaad was dat de beloften van God zou beërven deed hij wat iedereen op die leeftijd zou doen. Uit jaloersheid en rivaliteit bedreigde hij Izak ernstig. Genesis 21:9 vertelt ons alleen dat Sara zag dat Ismaël Izak aan het spotlachen was. Dit betekent dat hij hem uitlachte. Maar Paulus zegt in Galaten 4:29 dat het ernstiger was dan het op eerste gezicht lijkt. Als hij praat over Ismaël, die “naar het vlees geboren” was, zegt hij,

29 Maar zoals destijds hij die naar het vlees geboren was, hem vervolgde die naar de Geest geboren was, zo is het ook nu.

Een oude tekst uit het Boek van de Oprechte (The Book of Jasher), dat voor het eerst in het Engels gepubliceerd werd in 1840, lezen we gedetailleerder over wat er eigenlijk geschiedde tussen Ismaël en Izak. Het Boek van de Oprechte wordt in Jozua 10:13 en opnieuw in 2 Samuël 1:18 aangehaald. Vele jaren was dit boek verloren, maar in 1613 werd in een kantoor van een rabbijn in Venetië, Italië, een erg oud exemplaar ontdekt. Dit is ten slotte in 1840 in het Engels vertaalt en is vandaag de dag beschikbaar. Haar oudheid is overduidelijk, dit niet alleen door de zuiverheid van de Hebreeuwse taal (gestaafd door haar vertalers en anderen), maar ook door de fouten van de kopiist die door de eeuwen heen onvermijdelijk sluipen in oude manuscripten. In Jasher 21:11-15 lezen we het volgende,

11 En Ismaël de zoon van Abraham groeide in die dagen op; hij was veertien jaar oud toen Sara Izak baarde aan Abraham. 12 God was met Ismaël de zoon van Abraham, en hij groeide op, en hij leerde de boog te hanteren en werd een schutter. 13 Toen Izak vijf jaar oud was zat hij met Ismaël voor de ingang van de tent. 14 En Ismaël naderde tot Izak en plaatste zich tegenover hem, en hij nam de boog en spande deze en plaatste er een pijl in, en nam zich voor om Izak te doden. 15 En Sara zag de daad die Ismaël verlangde te doen tot haar zoon Izak, en het bedroefde haar buitengewoon op grond van haar zoon, en ze liet Abraham komen en zei tot hem: Jaag deze slavin en haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet met mijn zoon, met Izak, erven, daarom probeerde hij zich deze dag van hem te ontdoen.

Misschien was de apostel Paulus wel bekend met deze geschiedenis. Paulus zegt dat deze historische gebeurtenis ook allegorisch is, want het was profetisch in zijn tijd. De Joodse leiders in zijn tijd waren “naar het vlees geboren” en vervolgden de christenen die “naar de Geest geboren” waren. Paulus was hier zeer mee bekend, want hij was in zijn vroegere dagen zelf de voornaamste vervolger geweest.

Dus wanneer Genesis 15:13 zegt dat Abrahams zaad voor vierhonderd jaar onderdrukt wordt en als slaaf zal leven, is het duidelijk dat deze onderdrukking en vervolging in wezen al begon met Ismaël, de zoon van Hagar, de Egyptische. Het begon op het moment dat Izak geboren werd. Het bevatte twee niveaus van onderdrukking – het eerste niveau met Ismaël, de half-Egyptische, en vele jaren later het tweede niveau toen Israël als vreemdeling verbleef in Egypte.

Izak en Rebekka, zijn vrouw, hadden een tweeling, twee broers, genaamd Jakob en Ezau. Deze zonen werden hem geboren toen Izak 60 jaar oud was (Gen. 25:26). Dit waren de eerste 60 jaar van de 400 jaar die voorzegd waren, waarin Abrahams nakomelingen “vreemdelingen zijn in hun land dat niet van hen is”. Het is belangrijk om dit in te zien omdat de meeste mensen aannemen dat de 400 jaar pas aanving toen zij uiteindelijk naar Egypte verhuisden. Terwijl hun vreemdelingschap in Egypte slechts een tweede fase van slavernij en vreemdelingschap was. Hiermee zijn de historici die zich bezig houden met de oudheid het eens.

Jakob was 130 jaar oud toen hij en zijn zonen van Kanaän naar Egypte verhuisden (Gen. 47:9). Dus toen zij in Egypte arriveerden waren er al 190 jaar voorbij gegaan waarin de nakomelingen van Abraham als vreemdeling leefden in hun land dat niet van hen was. Hierdoor bleven er nog maar 210 jaren over voor hun eigenlijke vreemdelingschap in Egypte. Josephus, de historicus uit de eerste eeuw, verschilt slechts vijf jaar met de apostel Paulus. Josephus zegt dat ze voor 215 jaar in Egypte verbleven en dat zij Egypte 430 jaar nadat Abraham Kanaän inging verlieten (Antiquities of the Jews, II, 15, ii),

“Zij verlieten Egypte in de maand Xanthicus [ook wel bekend als Abib en Nisan], op de vijftiende dag van de maand; vierhonderdendertig jaar nadat onze voorvader Abraham Kanaän binnenging, maar slechts tweehonderdenvijftien jaar nadat Jakob naar Egypte verhuisde.”

Laws-Of-The-Second-Coming-Chapter-3-Img-2.png

Aan de andere kant dateert Paulus de tijd van het verbond met Abram tot het verbond met Mozes op 430 jaar (Gal. 3:17). God ging het verbond met Abram aan toen Abram 70 jaar was, vijf jaar daarna arriveerde hij in Kanaän op de leeftijd van 75 jaar (Gen. 12:4). Toen Izak geboren werd was Abram 100 jaar oud en waren er al 30 jaar voorbij gegaan sinds het opstellen van het verbond. Vervolgens vertrok Israël 400 jaar later uit Egypte tijdens de uittocht. Dit geschiedde 430 jaar na het Abrahamitisch verbond.

We kunnen Josephus vergeven voor zijn rekenfout van vijf jaar, want hij begreep ten minste dat Israël niet de volle 400 jaar in Egypte verbleef. Hij zegt dat het 215 jaar was, maar in feite waren het er slechts 210. De details hiervan worden uitvoerig beschreven in het Boek van de Oprechte en zijn een enorme aanwinst om de Bijbelse berekeningen te verklaren. Ongeacht het kleine verschil tussen Josephus en Paulus is het overduidelijk dat Israël niet de hele 400 jaar in Egypte verbleef.

Het Boek van de Oprechte zegt specifiek dat het vreemdelingschap van Israël in Egypte precies 210 jaar betrof. Jasher 81:3 en 4 zegt,

3 En het vreemdelingschap van de kinderen Israëls, die in Egypte verbleven en daar zwaar werk verrichtte, duurde tweehonderdentien jaar. 4 En aan het eind van de tweehonderdentien jaar bevrijdde de Heer de kinderen Israël uit Egypte met een sterke hand.

Het Boek van de Oprechte is een erg interessant en behulpzaam boek dat vele details invult die niet opgetekend staan in de Bijbel. Ondanks dat kunnen we toch niet zeggen dat het dezelfde geldigheidswaarde heeft als de Schrift. Het is slechts een behulpzaam geschiedenisboek dat duizenden jaren geleden geschreven is en dat ons nu steunt in onze bewering dat Israël gedurende 210 jaar in Egypte verbleef. Dit is belangrijk omdat dat het jaar 2448 als het jaar van de uittocht bevestigt en het jaar 2450 (het 50e Jubeljaar) als het jaar dat Israël opgedragen werd om het land Kanaän in te gaan.

HET SLECHTE VERSLAG VAN DE TIEN VERKENNERS

Voordat zij hun tabernakel gingen bouwen had Israël al een jaar rondgezworven in de woestijn. In feite werd deze op de eerste dag van de eerste maand in het tweede jaar na de uittocht opgezet (Exodus 40:2). De volgende twaalf dagen werd de tabernakel gewijd, waarbij de prins van elke stam om de beurt elke dag slachtoffers en andere offers bracht. Op de 14e van de maand werd de tabernakel volledig gewijd toen het volk hun Pascha lammeren moesten slachten.

Ongeveer vijf weken later, op de twintigste dag van de tweede maand, begon God Israël te leiden naar het beloofde land (Num. 10:11). Dit was normaliter een reis van elf dagen (Deut. 1:2), maar het volk maakte onderweg een aantal stops waardoor de reis langer duurde dan normaal.

Hun eerste stop was bij Tabera, waar God hen oordeelde vanwege hun slechte beklag (Num. 11:1-3). Later beklaagden zij zich omdat ze alleen maar manna hadden als voedsel. Omdat ze vlees begeerden gaf God hen een hele maand kwakkelen als voedsel (Num. 11:20) totdat dit hen ziek maakte. Die plaats werd Kibroth-Taäva, “graven van lust”, genoemd. Het blijkt dat Israël een volledige maand in Tabera is verbleven, wat telt als een volledige derde maand.

Aan het begin van de vierde maand trok Israël verder naar Hazeroth. Toen ze daar waren klaagde Mirjam, de zus van Mozes, tot God over de Cusjitische vrouw die Mozes had getrouwd. Nu waren er twee landen van Cush. Het latere land werd uiteindelijk Ethiopië genoemd, maar de historici vertellen ons dat het oorspronkelijke land van Cush in Arabië lag. In zijn aantekeningen in de Companion Bible zegt dr. Bullinger over Num. 12:1 het volgende: “Arabië lag in het land van Cush; Zipporah (Ex. 2:21) had waarschijnlijk een Cusjitisch nationaliteit, hoewel zij territoriaal een Midianiet was.” Het land Midian was in die dagen een gedeelte van Cush. Mozes trouwde Zippora, de dochter van de priester van Midian. Daarom werd zij een Cusjitisch genoemd. Zij was geen Israëliet, want haar afstamming van Abraham was via zijn derde vrouw Ketura (Gen. 25:1, 2).

Afijn, de bestraffing van Mirjam nam weer een week van hun tijd in beslag (Num. 12:14). Dus dit was niet eerder voorbij dan het midden van de vierde maand. Waarschijnlijk was het aan het begin van de vijfde maand voorbij, want zowel reistijd als normale tijd in gedachte nemende kost het behoorlijk wat tijd voor zo’n enorme gemeenschap om hun dagelijkse bezigheden te verrichten.

Vanuit Hazeroth kwam het volk ten slotte in de woestijn van Paran aan (Num. 1:16), dat dichtbij Kanaän lag. Het was nu waarschijnlijk het einde van de vijfde maand. Toen pas riep God de twaalf afgevaardigden van elke stam op om het land Kanaän te verkennen. Zij werden ongeveer op de eerste dag van de zesde maand er op uitgestuurd en bleven veertig dagen weg. Dit brengt ons tot de tiende dag van de zevende maand, dat de Verzoendag en Jubeljaar is. Het was nu het einde van de zomer, want de verkenners brachten wat vruchten van het land mee terug. We lezen in Num. 13:20: “Die dagen waren namelijk juist de dagen van de eerste vruchten van de druiven.”

Er waren natuurlijk drie hoofdfeesten in Israël en elk feest had haar eigen eerstelingenoffer. Met Pascha werd gerst geofferd, met Pinksteren tarwe en de nieuwe wijn werd uitgeschonken als een drankoffer voor de Heer gedurende de zeven dagen van het Loofhuttenfeest. Daarom zegt God ook dat het Loofhuttenfeest gehouden moest worden “als u de oogst van uw dorsvloer en van uw perskuip hebt ingezameld”.

De Verzoendag leek op de voorbereidingsdag voor het Loofhuttenfeest. Het was de dag waarop er begonnen werd met het brengen van de eerstelingen van de druiven om zodoende het drankoffer gedurende de zevendagen van Loofhutten uit te schenken. De verkenners brachten toen ook op de tiende dag van de zevende maand de eerste druiven naar God en deden hun verslag aan het volk. Zij hadden een goed verslag moeten geven, doordrenkt met geloof en vreugde over het vooruitzicht van het beërven van zo’n goed productief land. Dit had hun Jubeljaar moeten zijn. Toch konden de twaalf verkenners het niet eens worden met elkaar. Tien van hen gaven een slecht verslag, zoals we kunnen lezen in Numeri 13:32,

32 En zij lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, bestaat uit mannen van grote lengte [reuzen].

De andere twee verkenners, Kaleb en Jozua, gingen hier tegen in zeggende in Numeri 14:9,

9 … want zij zijn ons tot voedsel, hun schaduw [bescherming] is van hen geweken.

Reuzen - hèt ontbijt van kampioenen!

Kaleb en Jozua werden overstemd en het volk nam het slechte verslag van de andere tien verkenners aan. Hierom werd het grote Jubeljaar der Jubeljaren niet uitgeroepen en sindsdien droeg God hen op om deze dag elk jaar te herinneren als Verzoendag – een dag van rouw, vasten en inkeer vanwege de weigering van Gods Jubeljaar. Deze originele traditie laat zien dat de Verzoendag een dag van beslissing is, een laatste test die bepaald wie een overwinnaar is en wie niet. Het is de Verzoendag die bepaald wie een overwinnaar is en die de overwinnaars scheidt van de andere gelovigen. Deze dag bepaalt uiteindelijk wie geschikt is om het Loofhuttenfeest te vervullen.

DE KRACHT VAN VERGEVING

Het Jubeljaar draait totaal om vergeving. De wet zelf spreekt over het annuleren en het vergeven van SCHULDEN op die dag, maar in de Bijbel wordt alle zonde aangerekend als schuld. Als iemand duizend euro stal was de dief het slachtoffer tweeduizend euro verschuldigd (Exodus 22:4). Zijn zonde werd hem aangerekend als schuld volgens het Bijbels rechtssysteem. Dit is ook de reden dat de schrijvers van het Nieuwe Testament spreken van schuld als de equivalent van zonde. Zo lezen we bijvoorbeeld in het gebed des Heeren in Mattheüs 6:12: “En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.” In Lukas 11:4 staat: “Vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan iedereen die ons iets schuldig is.”

Het Jubeljaar is er niet alleen voor de vergeving van monetaire schulden, maar ook voor de vergeving van zonde. Zij die zondigen tegen hun naasten worden door de ogen van God en Zijn wet beschouwd als schuldenaren ten opzichte van hun slachtoffers. Alle slachtoffers van het onrecht zijn schuldeisers en bezitten verschillende rechten binnen de wet van God. Als zij God aanroepen voor gerechtigheid zal God hen ook verhoren. Zo zegt Exodus 22:22 en 23 het volgende over weduwen en wezen,

22 U mag geen enkele weduwe of wees onderdrukken. 23 Als u hen maar enigszins onderdrukt en zij maar enigszins tot Mij om hulp roepen, zal Ik hun roep zeker verhoren.

Binnen de wet van God hebben alleen de slachtoffers het recht om zonde te vergeven. De rechter heeft dit recht niet. Als een dief veroordeeld wordt omdat hij van u duizend euro gestolen heeft, heeft de rechter niet het recht om hem dit te vergeven. Hij moet precies zo optreden zoals de wet dit eist. Alleen u – het slachtoffer – hebt het recht om de zonde te vergeven, mocht u dit willen doen.

God heeft alle mensen op één of andere manier slachtoffer gemaakt van onrecht. Iedereen heeft het onrecht van de zonde ervaren. De meeste mensen worden kwaad en vaak ook behoorlijk verbitterd over de gevallen van onrecht. Maar degenen die het hart van God en het karakter van Jezus Christus kennen zijn in staat om met deze gevallen van onrecht op een behoorlijk ongebruikelijk manier om te gaan. Zij begrijpen dat God soeverein is en dat niets bij geval gebeurt, ook het onrecht niet, maar zij weten ook dat God de kennis en de kracht heeft om dit mee te laten werken ten goede (Romeinen 8:28). De ware gelovigen zijn degenen die niet kwaad worden wanneer zij persoonlijk in aanraking komen met onrecht. Zij hebben geleerd om degenen die hen kwaad doen te vergeven en zich te verheugen als men ze vervolgd.

Dit zijn de overwinnaars, de mensen die geroepen zijn tot een hoger niveau van openbaring, kennis en begrip van God. Sommigen vergissen zich door te denken dat wanneer hen slechte dingen overkomt dit komt omdat God boos op hen is of dat God hen straft voor iets wat ze gedaan hebben. Natuurlijk tuchtigt God ons, maar vaak overkomt ons dit zodat we schuldeisers van de wereld en erfgenamen van alle dingen mogen worden. De wereld heeft de overwinnaars vervolgd zodat zij de voornaamste erfgenamen van alle volken kunnen worden.

Zo zijn de overwinnaars ook degenen die het Jubeljaar ervaren hebben. Dit betekent dat zij hebben geleerd om mensen van hun slavernij, en hun slavenhuis (gevangenis) van zonde (schuld), te bevrijden. Zij hebben geleerd dat zij geen wrok moeten koesteren jegens hun vervolgers, maar dat ze zich juist moeten verheugen in het feit dat God hen waardig heeft bevonden om hen deze geloofsbeproevingen te laten ondergaan. Dit zijn de overwinnaars. De belangrijkste kwalificatie om een overwinnaar te worden – iemand die streeft naar de vervullen van het Loofhuttenfeest – is door vergevingsgezind te zijn. Niemand kan Loofhutten ingaan zonder eerst het Jubeljaar te ervaren. Dit is nu eenmaal de volgorde van de feestdagen en dit proces kan niet omzeild worden.

De overwinnaars zijn mannen en vrouwen die God aanstelt als heersers binnen Zijn Koninkrijk. Zij zijn in staat te heersen zonder vooringenomenheid en met de gelijkheid van gerechtigheid voor allen, want zij bezitten in principe hetzelfde vergevingsvolle en liefdesvolle hart als Jezus. Ja meer nog, de overwinnaars hebben de hartsgesteldheid om het Jubeljaar uit te roepen op aarde waardoor alle volken vrijgemaakt worden in de toekomende eeuw van Loofhutten. Als schuldeisers hebben zij, en zij alleen, het wettige recht om de schuld die hen verschuldigd is te vergeven – en ook hebben zij daadwerkelijk de hartgesteldheid om dit te doen. Zij zijn gaan inzien en gaan begrijpen dat het onrecht dat ze ervaren hebben nodig was om hen het recht te geven om het Jubeljaar uit te kunnen roepen – en dit weerklinkt in hun hart.

De kracht van vergeving zal altijd de kracht van wrok koesteren overtreffen. De kracht van liefde zal altijd de kracht van de zonde te boven gaan. Goed en slecht zijn geen twee gelijke krachten. God en satan zijn geen twee gelijke goden binnen het universum. Er is geen balans van kracht in de hemelen, geen eeuwige co-existentie van zonde en gerechtigheid. Op deze manier en met deze woorden geeft de Bijbel het einde van de geschiedenis weer in Openbaringen 5:13 en 14,

13 En elk schepsel dat in de hemel, op de aarde, onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Aan Hem Die op de troon zit, en aan het Lam zij de dankzegging, de eer, de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. 14 En de vier dieren zeiden: Amen.

Dit is het Jubeljaar en dit zijn de mensen van het Jubeljaar, zij die kunnen vergeven.