You successfully added to your cart! You can either continue shopping, or checkout now if you'd like.

Note: If you'd like to continue shopping, you can always access your cart from the icon at the upper-right of every page.

Quantity:

Total:

Filters

Categories

DE WETTEN VAN DE TWEEDE KOMST

Een grondige studie van Israëls feesten en hun profetische betekenis voor de wederkomst van Christus. De meeste christenen weten dat het Pascha de timing van Christus 'dood aan het kruis liet zien in Zijn eerste verschijning; maar weinigen begrijpen de betekenis van Trompetten, de Grote Verzoendag en het Loofhuttenfeest. Dit boek leert ook de wetten van Sonship and the Manchild.

Category - Long Book

Hoofdstuk 7

Het Loofhuttenfeest

Het Loofhuttenfeest culmineert de profetische heilige dagen van de goddelijke wet. Er waren natuurlijk feestdagen en vastendagen die later toegevoegd zijn, en deze kunnen ook wel een profetische betekenis hebben. Maar de wet van Mozes biedt ons de volledige openbaring van de belangrijkste gebeurtenissen omtrent de twee komsten van Christus, Zijn werk in beide komsten en hoe elke komst het koninkrijk van God promoot in haar ontwikkeling op aarde.

De basiswet van het Loofhuttenfeest vinden we in Leviticus 23:33-44,

33 De HEERE sprak tot Mozes: 34 Spreek tot de Israëlieten en zeg: Vanaf de vijftiende dag van deze zevende maand is het zeven dagen lang Loofhuttenfeest voor de HEERE. 35 Op de eerste dag is er een heilige samenkomst. Geen enkel dienstwerk mag u doen. 36 Zeven dagen lang moet u de HEERE vuuroffers aanbieden. Op de achtste dag moet u een heilige samenkomst houden en de HEERE een vuuroffer aanbieden. Het is een bijzondere samenkomst. U mag geen enkel dienstwerk doen.

 37 Dit zijn de feestdagen [Hebr. moed; bestemde tijden] van de HEERE, die u moet uitroepen als heilige samenkomsten om een vuuroffer voor de HEERE aan te bieden: brandoffer en graanoffer, slachtoffer en plengoffers, al naargelang het voorschrift voor die bepaalde dag, 38 naast de offers op de sabbatten van de HEERE, naast uw geschenken, naast al uw gelofteoffers en naast al uw vrijwillige gaven, die u aan de HEERE geeft.

39 Maar vanaf de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer u de opbrengst van het land ingezameld hebt, moet u het feest van de HEERE zeven dagen lang vieren. Op de eerste dag is het rustdag en op de achtste dag is het rustdag. 40 Op de eerste dag moet u voor uzelf vruchten van sierlijke bomen, takken van palmbomen, takken van loofbomen en van beekwilgen nemen, en u moet zich zeven dagen lang voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden. 41 Dat feest voor de HEERE moet u per jaar zeven dagen lang vieren. Het is een eeuwige verordening, al uw generaties door. In de zevende maand moet u het vieren. 42 Zeven dagen moet u in de loofhutten wonen. Alle ingezetenen van Israël moeten in loofhutten wonen, 43 zodat de generaties na u weten dat Ik de Israëlieten in loofhutten liet wonen, toen Ik hen uit het land Egypte geleid heb. Ik ben de HEERE, uw God. 44 Zo maakte Mozes de feestdagen [Hebr. moed; bestemde tijden] van de HEERE aan de Israëlieten bekend.

Het Loofhuttenfeest moest zeven volle dagen gevierd worden, van de 15e dag van de zevende maand (genaamd Tisrhi) tot en met de 21e dag. De laatste ceremonieën werden vervolgens gehouden op de achtste dag van Loofhutten, dat de 22e dag van de zevende maand was. De eerste dag (de 15e van de maand) was een rustdag (sabbat), en ook de achtste dag (de 22e van de maand) was een rustdag.

De bovenstaande passage was oorspronkelijk samengesteld om ons de timing van het feest te geven. Het laat ons het WANNEER zien en geeft ons slechts één detail HOE we het moeten vieren. We lazen dat het volk takken van bomen moesten nemen en tenten, of loofhutten, voor zichzelf moesten maken en hier ook voor gedurende in week in moesten wonen. De reden hiervoor is om de Israëls omzwerving van 40 jaar in de woestijn, nadat ze Egypte verlaten hadden, te herdenken, waarbij ze in die 40 jaar in tenten of loofhutten hebben gewoond.

Ook erg belangrijk om op te merken is het feit dat deze feestdagen “de bestemde tijden van de HEERE” worden genoemd. De Hebreeuwse term hiervoor is moed, dat bestemde tijd of bestemde plaats betekent. Dit zijn de profetische data die God heeft vastgelegd. Omdat Pascha een bestemde tijd van God was, was het de dag dat Jezus gekruisigd zou worden. Omdat het beweegoffer een bestemde tijd had, was het de dag dat Jezus zou opstaan uit de dood. Omdat het Wekenfeest (Pinksteren) een bestemde tijd had, was het de dag dat de Geest tot de discipelen in de bovenkamer gezonden werd.

Zo is ook het Feest van de Bazuinen een bestemde tijd voor de opstanding der doden. De Verzoendag is de bestemde tijd voor het berouw van de Kerk en haar geweeklaag voor het weigeren van het ingaan tot de volheid van de Geest, hun “Beloofde Land”. En ten slotte is het Loofhuttenfeest de bestemde tijd voor de verandering die in ons lichaam zal plaatsvinden, waarbij de overwinnaars hun loofhut zullen ontvangen, die uit de hemel is en niet gemaakt door mensenhanden (2 Kor. 5:1).

Uiteraard moeten we niet vergeten dat de persoonlijke toepassing van de feesten niet van tijd afhankelijk is. Iemand kan op elk moment gerechtvaardigd zijn door geloof (Pascha) of vervuld worden met de Geest (Pinksteren). Maar als het gaat over historische vervullingen van profetieën zijn er vastgestelde bestemde tijden waar niet van afgeweken kan worden.

Hoe vaak heeft u de volgende uitspraak vanaf de preekstoel al gehoord: “Jezus komt spoedig, en Hij kan elk moment komen, elke dag, hetzij ochtend, middag, avond of nacht.” Dit is hetzelfde als het zeggen dat Jezus op elke willekeurige dag van het jaar op welk moment van de dag dan ook gekruisigd zou zijn. Dit is simpelweg gewoon niet waar. Dit zijn de bestemde tijden voor deze gebeurtenissen om te geschieden, en hoewel we het jaar NIET weten waarin deze gebeurtenissen in vervulling gaan, weten we wel de bestemde tijden binnen een jaar. Er zijn zaken die God voor ons verborgen houdt, maar de dingen die Hij geopenbaard heeft behoren ons toe. Deuteronomium 29:29 zegt,

29 De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, tot in eeuwigheid, om al de woorden van deze wet te doen.

Vaak verbergt God zaken in helder zicht. Zo wordt de dood van Jezus bijvoorbeeld beschreven in Jesaja 53, Psalm 22 en op andere plaatsen, maar deze zaken waren niet zichtbaar voor de meeste mensen totdat ze vervuld waren. En nog steeds zien de meeste mensen deze waarheid niet, of ze kiezen ervoor het niet te zien. Er is geen reden om aan te nemen dat onze situatie vandaag de dag veranderd is met betrekking tot de tweede reeks van bestemde tijden – de herfstfeestdagen. En toch begint God, omdat het moment van vervulling dichtbij is, op een grotere manier met het openbaren van Zijn bestemde tijden. Hoewel we enige terughoudendheid moeten hebben in het voorspellen van de wederkomst van Christus, moeten we ook de zaken bestuderen die ons geopenbaard zijn in het Woord van God.

HET DOEL VAN HET LOOFHUTTENFEEST

Het eerder geciteerde Leviticus 23:43 zegt slechts alleen dat ze gedurende zeven dagen in loofhutten moesten wonen ter nagedachtenis van Israëls veertig jarige verblijf in loofhutten tijdens hun omzwerving in de woestijn. Natuurlijk nemen wij dit als waarheid aan, maar er is meer dan het lijkt. Later openbaarde God meer over dit feest dan al was opgetekend in Leviticus 23. Toch is dit een geschikt Bijbelgedeelte om onze studie te beginnen.

Numeri 33:5 vertelt ons dat toen Israël hun vertrek uit Egypte begon ze uit de stad Rameses vertrokken en naar Sukkoth gingen. Daar namen zij de beenderen van Jozef om deze mee te nemen naar het Beloofde Land (Exodus 13:19 en 20). Met andere woorden, Sukkoth was hun eerste kampement nadat ze uit Egypte vertrokken waren. Sukkoth betekent “tenten, loofhutten”. Het is hetzelfde woord dat gebruikt wordt voor het Loofhuttenfeest. Dus op het eerste gezicht lijkt het dat het Loofhuttenfeest op Pascha gevierd moet worden. Maar dit is niet de bestemde dag voor dit feest. De vraag is dan: waarom was het eerste kampement van Israël in de plaats Sukkoth? Op welke manier beeldt dit het Loofhuttenfeest uit?

Ten eerste legt God zaken vaak vanaf het einde tot het begin uit. Hij doet dit om mensen een visioen te geven van het doel, zodat zij hierdoor gemotiveerd worden en blijven tijdens hun lange reis. Maar wanneer mensen eerst een visioen of roeping ontvangen denken zij vaak dat dit dichterbij is dan het in werkelijkheid is. Het visioen is zo helder dat ze het bijna kunnen pakken. Wie van de Israëlieten die Egypte verlieten dachten dat het veertig jaar zou duren voordat ze het Beloofde Land in zouden gaan? Zelfs Mozes wist dit niet. Als iemand dit had geweten waren ze waarschijnlijk nooit uit Egypte vertrokken.

God gaf Israël een visioen van Loofhutten vanaf het begin van hun reis. Hun opdracht was om in tenten te verblijven gedurende hun omzwerving in de woestijn. Dit was zo ontworpen om te voorkomen dat ze zich thuis gingen voelen in de woestijn. Voor de Kerk onder Pinksteren zit hier de les in om zich niet teveel thuis te voelen in onze 40 Jubeljarige omzwerving, zodat we geen huizen van denominaties gaan bouwen en denken dat we al in het Beloofde Land zijn.

Gedurende het Tijdperk van Pinksteren zou de Kerk moeten verblijven in “tenten” en de visie op Loofhutten levend houden. In onze reis door de woestijn zouden we de beenderen van Jozef met ons mee moeten nemen. Dit houdt in dat we moeten inzien dat we de onsterfelijkheid nog niet bereikt hebben, maar dat we nog steeds verkeren in de vallei van dorre beenderen (Ezechiël 37:1). Noch zijn we gekomen tot de tweede komst van Christus, dat we later zullen aantonen als een Jozefwerk, waarbij Hij komt met Zijn bovenkleed gedoopt in bloed (Op. 19:13; Genesis 37:31). De belofte van Sukkoth is onze HOOP, maar het is nog niet echt te ervaren in onze levens. De woestijn is de plaats waar we de beenderen van Jozef moeten dragen.

De woestijn is geen plaats om ons huis permanent te vestigen. Het is slechts een overgangsperiode. Abraham zelf beleed dat hij slechts een vreemdeling en pelgrim in het land was, want hij zocht naar de stad van het Nieuwe Jeruzalem (Hebreeën 11:13-16). Zijn leven in Kanaän was zijn eigen woestijnervaring. En toch had Abraham het geloof om de belofte te zien, dat hem tot rechtvaardigheid aangerekend werd. Op dezelfde manier moest de kerk in de woestijn ook geloof hebben in de belofte van God, niet alleen door het meenemen van de beenderen van Jozef, maar ook door in tenten te wonen.

Helaas heeft de Kerk grotendeels de goddelijke wet weggedaan, inclusief het Loofhuttenfeest, en heeft zij gedurende de hele reis vele huizen van denominaties gebouwd. De meeste mensen vestigen zich in een denominatie met de overtuiging dat haar priesterschap of geestelijkheid alle waarheid bezit om “in de hemel te komen”. Veel van deze christelijke pelgrims werden vervolgens achtergelaten toen de wolkkolom zich verder bewoog naar de volgende oase om ze iets nieuws te leren.

Christenen hebben grotendeels de visie van Loofhutten verloren en zijn zelfs het bestaan van deze feestdag vergeten. In de twintigste eeuw zijn er duizenden boeken geschreven over de tweede komst van Christus, maar slechts een klein gedeelte van deze boeken laat een kleine glimp zien van de kennis over de herfstfeesten, die Gods bestemde tijden zijn. Als resultaat zijn er zeer vreemde leringen verspreid waarover maar weinig mensen de vraag hebben gesteld naar de geldigheid achter deze leringen.

Maar het is niet ons doel om de Kerk of een gedeelte hiervan te bekritiseren. Ons doel is om degenen die meer willen leren over die gedeelten van het Woord die normaliter niet onderwezen worden binnen hun kerk of Bijbelstudiegroep te helpen. Ons doel is om de betekenis van deze feestdagen te openbaren, zodat christenen kunnen gaan geloven wat er in het Woord geschreven staat. In dit hoofdstuk is ons doel om te laten zien dat het Loofhuttenfeest de bestemde tijd is voor de lichamelijke verandering – wat Paulus “de verlossing van ons lichaam” noemt (Romeinen 8:23). Daarnaast zegt de apostel ook in 1 Korinthe 15:51,

51 Zie, ik vertel u een geheimenis: Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden [Grieks: allasso, “veranderd worden, veranderen van het één in het ander, transformeren”].

Met andere woorden, we zullen van het ene lichaam naar een ander lichaam veranderen. Ons huidige “huis” of “loofhut” is sterfelijk en onvolmaakt, beperkt door vele aardse factoren. Bij het Loofhuttenfeest zullen we dit huis verwisselen voor een ander. We zullen verhuizen vanuit ons huidige aardse huis naar een huis dat afgebeeld is door hutten die gemaakt zijn van boomtakken. De hutten zijn gemaakt van LEVENDE materialen. Bij de verlossing van ons lichaam zal ons LEVENDE lichaam, dat we verloren zijn door Adams zonde (schuld), verlost worden. Dit is onze ware erfenis, ons ware Beloofde Land in de ruimste zin van betekenis.

SALOMO VIERT HET LOOFHUTTENFEEST

Ons eerste opgetekende viering van het Loofhuttenfeest is in de tijd van Salomo. Wanneer Salomo de tempel toewijdt vult de heerlijkheid van de HEERE deze tempel op de achtste dag van het Loofhuttenfeest. 2 Kronieken 5:1-3 zegt,

1 Zo werd al het werk voltooid dat Salomo voor het huis van de HEERE verrichtte. Daarna bracht Salomo de geheiligde gaven van zijn vader David over. Het zilver, het goud en al de voorwerpen legde hij in de schatkamers van het huis van God. 2 Toen riep Salomo de oudsten van Israël bijeen en alle hoofden van de stammen, de leiders van de families onder de Israëlieten, in Jeruzalem, om de ark van het verbond van de HEERE over te brengen uit de stad van David, dat is Sion. 3 Alle mannen van Israël kwamen bij de koning bijeen voor het feest, dat van de zevende maand.

Toen de 120 priesters eenparig met het lied van de zangers op de trompet bliezen, vulde de heerlijkheid dat huis (2 Kron. 5:12-14). 2 Kron. 7:8-10 zegt dat zij het altaar gedurende zeven dagen inwijdde en daarna het Loofhuttenfeest zeven dagen vierden:

8 In die tijd hield Salomo ook het feest, zeven dagen lang, en heel Israël met hem, een zeer grote menigte, vanaf Lebo-Hamath tot de Beek van Egypte. 9 Op de achtste dag hielden zij een bijzondere samenkomst, want de inwijding van het altaar hadden zij zeven dagen gehouden, en het feest nog eens zeven dagen. 10 Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand [de dag na de achtste van Loofhutten] liet hij het volk naar hun tenten gaan. Allen waren blij en welgemoed over het goede dat de HEERE aan David, aan Salomo en aan Zijn volk Israël, had gedaan.

Dit profeteert uiteraard van de tijd dat God Zijn Geest uitstort over alle vlees, waarvan Pinksteren slechts een onderpand was. Bij de vervulling van Pinksteren waren 120 discipelen (Hand. 1:15) die eveneens in overeenstemming kwamen (eenparig) voordat de Geest gezonden werd. Deze vergelijking is helder. Toch wanneer Jezus profeteert over de uitstorting van de Geest in Johannes 7:37-39, deed hij dit niet op het Pinksterfeest, maar op de achtste dag van het Loofhuttenfeest (zie Johannes 7:2, 14 en 37). Dit vertelt ons duidelijk dat wij niet onze gehele erfenis ontvangen bij Pinksteren. De echte vervulling moet nog komen, zoals Efeze 1:13 en 14 ons vertellen,

13 …in Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte, 14 Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verlossing die ons ten deel viel, tot lof van Zijn heerlijkheid.

Blijkbaar wist Salomo niet dat het volk hutten moest bouwen bij het Loofhuttenfeest. Het verslag van deze viering vermeldt er tenminste niets over, maar later zien we bij Nehemia 8:14 dat het volk geen hutten meer gebouwd had sinds de dagen van Jozua. Daarom weten we dat zelfs David en Salomo Loofhutten nooit in hutten heeft gevierd.

Het lijkt ongelofelijk dat een vastgestelde feestdag niet eens juist gevierd kan worden over een tijdsbestek van 900 jaar van Jozua tot Ezra. Toch zien we dat dezelfde situatie zich ook voordoet in de christelijke Kerk, en dit zal geen verrassing. Wij hebben geen visioen van Loofhutten gehad en ook hebben we, tot nu toe, de heerlijkheid van haar vervulling niet gezien.

EEN KORTE CHRONOLOGISCHE GESCHIEDENISLES ONDER EZRA

Het overblijfsel van Juda, Benjamin en Levi keerde onder Zerubbabel terug uit de Babylonische ballingschap. Zij vierden het Loofhuttenfeest in de zevende maand van het eerste jaar dat ze terug waren gekeerd uit Babylon. Een jaar en twee maanden later legden zij het fundament van de twee tempel (Ezra 3:4-10) op de 24e dag van de negende maand (Haggaï 2:18).

Het duurde negentien jaar voordat de tempel klaar was, dit vanwege de tegenstand waarmee ze te maken hadden. Maar ten slotte klaarden zij het werk op de derde dag van de 12e maand (Adar) in het zesde jaar van Darius de Grote van Perzië. Dit was in maart van 515 v.Chr.

Darius regeerde 36 jaar tot 486 v.Chr. Vervolgens regeerde zijn zoon, Ahasveros I nog eens 21 jaar tot het jaar 465 v.Chr. Ten slotte kwam Arthahsasta de troon toe in 465 v.Chr. en het eerste jaar van zijn regering wordt gerekend als het jaar 464 v.Chr. Hij regeerde 41 jaar, maar in zijn zevende jaar (458 v.Chr.) kwam een andere man genaamd Ezra uit Babylon met een besluit van de koning om tot God slachtoffers te brengen bij het herbouwen van de tempel in Jeruzalem (Ezra 7:7-26).

Dertien jaar later, in de lente van het 20e jaar van koning Arthahsasta, werd Nehemia gezonden naar Jeruzalem met een bevelschrift om de muren van de stad te herbouwen (Nehemia 2:1). Daarnaast was hij gedurende twaalf jaar ook landvoogd (Neh. 5:14) van 445-433 v.Chr. Maar zijn voornaamste bevelschrift was natuurlijk het herbouwen van de muren van Jeruzalem. Zij klaarden dit werk, door dag en nacht te werken, in 52 dagen (Neh. 6:15), van de 3e dag van de negende maand (Av of Ab) tot de 25e dag van de zesde maand (Elul) in 445 v.Chr.

De maand daarop vierden zij het Feest van de Bazuinen en het Loofhuttenfeest.

EZRA VIERT HET LOOFHUTTENFEEST

Slechts één week na het voltooien van de muur verzamelde het volk in Jeruzalem zich voor het Feest van de Bazuinen, en zij verbleven daar drie weken achtereen tot Loofhutten. Nehemia 8:1-3 zegt,

1 Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren, 2 verzamelde heel het volk zich als één man op het plein dat voor de Waterpoort ligt; en zij zeiden tegen Ezra, de schriftgeleerde, dat hij het boek moest brengen met de wet van Mozes, die de HEERE Israël had geboden. 3 Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, zowel mannen als vrouwen en al wie wat zijn verstand betrof in staat was ernaar te luisteren, op de eerste dag van de zevende maand.

De viering in de dagen van Ezra (445 v.Chr.) luidde een nieuw traditie in van het lezen van de wet in de zevende maand, beginnende met het Feest van de Bazuinen. Voor zover wij weten was dit de eerste keer dat het volk ooit de herfstfeesten op deze manier vierde. Merk het profetische patroon op. De wet werd voorgelezen in de tweede tempel. De wet werd gelezen NA de Babylonische ballingschap. De wet werd gelezen NADAT de muren van Jeruzalem herbouwd waren.

De tweede tempel was een patroon van wat God IN ONS doet, want wij zijn de ware tempels van God. De profetie van Haggaï over de tweede tempel vermeldt dat de heerlijkheid hiervan veel groter zal zijn dan die van de eerste tempel onder Salomo (Haggaï 2:10), en toch kwam de fysieke constructie niet eens in de buurt van de heerlijkheid van Salomo’s tempel (Haggaï 2:4). Enkele oudere mensen die zich de tempel van Salomo herinnerden huilden met luide stem, want het leek niets op de oorspronkelijke tempel (Ezra 3:12-13). Toch profeteerde Haggaï dat de heerlijkheid van de tweede tempel veel groter zou zijn dan de eerste. Maar hij profeteerde niet over de fysieke tempel. Hij sprak over een betere tempel die nog moet komen, de tempel van ons lichaam, die bewoond zal worden door de Geest van God (1 Kor. 3:16). In die zin is de eerste tempel het soort dat gemaakt is van hout en stenen, terwijl de tweede tempel gemaakt is van levende stenen.

De naam van Haggaï betekent “feest” en hij is de voornaamste profeet van het Loofhuttenfeest. Zijn voornaamste profetie sprak hij op de zevende dag van Loofhutten (Hag. 2:1). Hierbij profeteerde hij over de heerlijkheid die zou komen over de tweede tempel. Ongetwijfeld waren ze de andere dag teleurgesteld toen de heerlijkheid van God de tempel NIET vulde, zoals dit wel gebeurde bij de inwijding van Salomo. Deze vervulling was voor een latere tijd bestemd, voor een tempel die niet door mensenhanden gemaakt is. In Handelingen 2 zien we deze tempel gevuld worden met een Pinkstervervulling – oftewel een gedeeltelijke vervulling, een onderpand van de Geest. Maar we moeten de laatste vervulling nog aanschouwen op de achtste dag van Loofhutten.

Ezra de Schriftgeleerde las de wet voor van het Feest van de Bazuinen en van het Loofhuttenfeest. Hierdoor moesten de harten van de mensen zich klaar maken om de herfstfeesten te vieren. Profetisch gezien legt dit ons het patroon heden ten dage voor, want ook wij verkeren in Babylonische ballingschap binnen een entiteit genaamd “geheimenis Babylon” (Op. 17:5). Dit is zowel intrinsiek als extrinsiek. Wij worden zonder meer gevangen gehouden door een oude Adamitische natuur; maar, als aanvulling hiervan, moeten we haastig zeggen dat deze Adamitische natuur zichzelf manifesteert in de wereldpolitiek, in religieuze, sociale en economische systemen door heel de geschiedenis heen. Het beeld van Ezra en de tweede tempel suggereert dat het Loofhuttenfeest nog niet gevierd kan worden totdat wij uit “geheimenis Babylon” zijn gekomen.

Ook de muren van het Nieuwe Jeruzalem moeten op de een of andere manier gebouwd worden – wat dit ook mag betekenen op profetisch niveau De muur wordt symbolisch aangehaald in Openbaringen 21:12-14 met fundamentstenen die gemaakt zijn van edelstenen die doen denken aan de stenen in de borstlap van de hogepriester. Zacharia 2:5 spreekt van het Nieuwe Jeruzalem als “een niet ommuurde stad”, maar wel met een “muur van vuur” rondom en in haar midden. Dit is, naast andere zaken, overduidelijk een symbool voor de Geest van God en goddelijke bescherming. En omdat vuur eveneens een van de symbolen van de goddelijke wet is (Deut. 33:2), staan deze muren ook in relatie tot Ezra’s lezing uit de wet, voorafgaand aan het Loofhuttenfeest.

Volgens Deuteronomium 31:10 en 11 moest de wet elk zevende jaar in het jaar van kwijtschelding – dit is het jaar dat het land moest rusten - tijdens het Loofhuttenfeest gelezen worden. Vanuit 2 Kronieken 36:21 weten we dat het volk nooit een echt ‘landrustjaar’ of Jubeljaren heeft gehouden vanaf de dagen van Jozua tot de Babylonische ballingschap. Zij gingen deze landrustjaren WEL houden toen zij terugkeerden uit Babylonië in 534 v.Chr., want in latere geschiedenissen lezen we van drie landrustjaren. De eerste is opgetekend in 1 Makkabeeën 6:53, die plaatsvond in 163-162 v.Chr. De tweede is opgetekend in Antiquities of the Jews, XV, i, 2, van Josephus. Deze sabbat vond plaats toen Herodus de Grote succesvol Jeruzalem belegerde in 37-36 v.Chr en waarbij hij Antigonus omverwierp. Toen Jezus geboren werd was hij nog steeds aan de macht, hij is namelijk de Herodus die de kinderen van Bethlehem vermoorde. Het derde rustjaar was van 69-70 n.Chr., het jaar dat de tempel werd verwoest door de Romeinen.

Door van deze data van de jaren af te weten kunnen we de jaren terugtellen naar het begin van de sabbatkalender. Deze gaat terug tot 534 v.Chr., het jaar dat het overblijfsel vanuit de Babylonische ballingschap terugkeerde naar Juda. Nog steeds bleken de mensen de wet niet goed genoeg te begrijpen om te snappen dat deze elk zevende jaar op Loofhutten gelezen moest worden. Terwijl ze wel enige kennis van de wet hadden, want hun eerste jaar na hun bevrijding uit Babel hebben ze Loofhutten gevierd, maar het koste hun nog eens 89 jaar om de goddelijke wet echt te begrijpen.

Dit profetische beeld vertelt ons dat christenen vandaag de dag de wet moeten horen, deze moeten begrijpen en eraan moeten beantwoorden voordat de vervulling van Loofhutten haar volledige vervulling kan krijgen. Dit beeld kunnen we zien als we verder lezen in Nehemia 8:

4 Hij las daaruit voor, voor het plein dat voor de Waterpoort ligt, vanaf het morgenlicht tot de middag, ten overstaan van de mannen, de vrouwen en van hen die wat hun verstand betrof in staat waren ernaar te luisteren. De oren van heel het volk waren gericht op het wetboek9 Zij lazen uit het boek voor, uit de wet van God, gaven uitleg en verklaarden de betekenis, zodat men de voorlezing begreep.

Het blijkt dat de wet relatief onbekend was voorafgaand aan de tijd dat Ezra eruit las. Het volk had daarentegen in Babel de wegen en wetten van hun heidense overheersers geleerd. Degenen die iets van de wet wisten, begrepen het in werkelijkheid helemaal niet. Dit is dus de reden dat Ezra het verklaarde terwijl hij het las. Ook vandaag de dag geldt dat christenen maar heel weinig de goddelijke wet lezen, want hun is vertelt hoe onderdrukkend deze is. De wet is onderdrukkend jegens het opstandige hart en de onverlichte gedachten. Maar als we de wet gaan begrijpen zullen we ons erin verheugen, net zoals het volk in de tijd van Ezra dit deed.

10 En Nehemia (hij was Zijne Excellentie, de stadhouder), Ezra, de priester en schriftgeleerde, en de Levieten die het volk onderwezen, zeiden tegen heel het volk: Deze dag is heilig voor de HEERE uw God. Rouw dan niet en huil niet. Heel het volk huilde namelijk toen ze de woorden van de wet hoorden. 11 Verder zei hij tegen hen: Ga, eet lekkernijen en drink zoete dranken. En deel uit aan hen voor wie niets is klaargemaakt, want deze dag is heilig voor onze Heere. Wees niet bedroefd, want de vreugde van de HEERE, dat is uw kracht. 12 De Levieten deden heel het volk zwijgen door te zeggen: Wees stil, want deze dag is heilig. Wees daarom niet bedroefd. 13 Toen ging al het volk weg om te eten en te drinken, om uit te delen en grote vreugde te bedrijven, want zij hadden de woorden begrepen die men hun bekend had gemaakt.

Het lezen uit de wet (dat begon op het Loofhuttenfeest) had als doel het voorbereiden van de harten van het volk voor het berouw en de opwekking op de Verzoendag op de tiende dag van de maand. De opwekking begon onmiddellijk op het Feest van de Bazuinen bij het lezen van de wet. In deze zin representeert de bazuin de verkondiging van het Woord, en in het bijzonder de verkondiging van de goddelijke wet. Eén van de belangrijkste doelen van de wet is ons kennis van zonde te geven (Rom. 3:20; 7:7). De wet is de standaard die zonde en rechtvaardigheid definieert (1 Joh. 3:4). Hoewel de wet niet één zondaar kan rechtvaardigen, biedt het wel de basis waardoor de mens zondaar wordt verklaart, want waar geen wet is, is ook geen overtreding (Romeinen 4:15).

Berouw heeft noodzakelijkerwijs te maken met de wet, want niemand kan berouw tonen tenzij hij de openbaring van zijn zonde ontvangt door het begrijpen van de wet.

Op de tweede dag van het voorlezen uit de wet komt Ezra ten slotte bij het stuk waar Mozes spreekt over het Loofhuttenfeest. Pas toen ontdekte het volk dat zij dit feest niet op de juiste wijze vierde:

14 De volgende dag verzamelden zich de familiehoofden van heel het volk, de priesters en de Levieten bij Ezra, de schriftgeleerde, en dat om inzicht te krijgen in de woorden van de wet. 15 Zij vonden in de wet geschreven dat de HEERE door de dienst van Mozes had geboden dat de Israëlieten in loofhutten zouden wonen tijdens het feest in de zevende maand, 16 en dat zij het overal zouden doen horen en een boodschap zouden laten gaan door al hun steden en in Jeruzalem, en zouden zeggen: Ga naar buiten, naar de bergen en breng loof van de olijfboom, loof van de olijfwilg, loof van de mirte, loof van de palmboom, en loof van andere dicht bebladerde bomen, om loofhutten te maken overeenkomstig wat voorgeschreven is. 17 Toen ging het volk eropuit en ze haalden loof en ze maakten loofhutten voor zichzelf, ieder op zijn dak, en in hun voorhoven en in de voorhoven van het huis van God, en op het plein van de Waterpoort en op het plein van de Efraïmpoort. 18 De hele gemeente van hen die uit de gevangenschap waren teruggekeerd, maakte loofhutten en woonde in die loofhutten, want zo hadden de Israëlieten niet meer gedaan vanaf de dagen van Jozua, de zoon van Nun, tot op deze dag. Er was zeer grote blijdschap.

Tot nu toe hebben we aangetoond dat het volk in de tijd van Salomo het Loofhuttenfeest vierde bij de inwijding van de eerste tempel. Ook hebben we gezien hoe het volk Loofhuttenfeest vierde na hun terugkeer uit Babel. Echter, zij hebben dit niet gedaan met enige kennis van de wet. Daarom hebben ze, sinds de tijd van Jozua, Loofhutten onvolmaakt gevierd. Ga maar na. Pas nadat Ezra de wet voorlas in 445 v.Chr. vierde het volk het Loofhuttenfeest op de door de Bijbel voorgeschreven manier.

DE 490 JAAR IN VERBAND MET DE APOSTEL PAULUS

Daniël 9:24 spreekt over een periode van 70 weken dat leidt naar het werk van de Messias in de context van het oude Jeruzalem. Deze 70 weken stellen geen zevendaagse weken voor, maar weken van jaren – oftewel sabbatrustjaren. Zeventig rustjaren stelt een tijdsperiode van 490 jaar voor, die volgens ons boek ‘Secrets of Time’ gedateerd kan worden van 458 v.Chr. tot 33 n.Chr. De profetie van Daniëls 70 weken rekt zich uit vanaf het edict van Arthahsasta in 458 v.Chr tot de dood van Jezus aan het kruis in 33 n.Chr. Wij verwijzen een ieder die dit niet beaamt naar het historische en Bijbelse bewijs in ‘Secrets of Time’, pag. 107-110.

Daarnaast bestaat er nog een andere periode van 490 jaar. Als we beginnen met Ezra’s opwekking in 445 v.Chr., toen het volk op een wettige manier het Loofhuttenfeest ging vieren, brengt dit ons precies 490 jaar later naar 46 n.Chr., het jaar waarin de apostel Paulus zijn bediening begint in Handelingen 11:27-30. Uit Jeruzalem waren profeten gekomen met de openbaring van een hongersnood die begon in het vierde consulentschap van de Romeinse keizer Claudius (47 n.Chr.). De profeten verschenen in 46 n.Chr., voorafgaand aan het begin van de hongersnood, en dit was het begin van het 14e jaar (Gal. 2:1) sinds de bekering van Paulus op de weg naar Damascus aan het eind van het jaar 33 n.Chr.

Paulus was zelf een profetisch beeld van de verandering van Pinksteren naar Loofhutten. Zijn Hebreeuwse naam was Saulus, maar zijn Romeinse naam was Paulus. Toen hij nog bekend stond onder de naam Saulus, gedroeg hij zich voornamelijk als koning Saul uit het Oude Testament, die koning David vervolgde. Koning Saul, die gekroond werd op de dag van de tarweoogst, ook wel Pinksteren (1 Sam. 12:17), was een profetisch beeld van de Kerk onder de zalving van Pinksteren. De autoriteit van Saul was wettig en gegeven door God, maar zijn dynastie duurde niet erg lang.

Aan de andere kant was David, die gekroond werd in een Jubeljaar, een beeld van de overwinnaars en van de Kerk onder de zalving van Loofhutten.

Dus de apostel Paulus vervolgde de Kerk toen hij nog bekend stond als Saulus, net zoals koning Saul David vervolgd had. Maar de Nieuwtestamentisch Saulus werd bekeerd en zijn naam werd uiteindelijk veranderd in Paulus (Handelingen 13:9). Hierin zien wij de instelling van de manier waarop degenen in het Pinkstertijdperk tot een hogere graad van zalving en begrip kunnen stijgen. Voor een uitgebreidere studie over dit onderwerp en over andere Oudtestamentische beelden van Pinksteren en Loofhutten wijzen we onze lezers op twee andere boekwerken van ons, namelijk ‘The Wheat and Asses of Pentecost’ en ‘The Barley Overcomers’.

Het beeld van de 70 weken dat leidde tot het ‘Paschawerk’ van Jezus begon met het edict van Arthahsasta, die tegen Ezra zei dat hij naar Jeruzalem moest gaan om daar te gaan offeren (Ezra 7:8). Dit was een offerdienst dat culmineerde met het Laatste Offer aan het kruis.

Het tweede beeld van de 70 weken begon met het instellen van Loofhutten in 445 v.Chr. en culmineerde met de bediening van Paulus in 46 n.Chr. Paulus is een beeld van een overwinnaar, die in staat is om te veranderen van Saulus (Pinksteren) naar Paulus (Loofhutten). Deze gebeurtenissen zijn een voorbode van het tweede werk van Christus onder de zalving van Loofhutten. Later zullen we aantonen dat dit hoofdzakelijk een ‘verkondigingswerk’ is waardoor alle koninkrijken van de wereld onder de voeten van Jezus Christus gebracht zullen worden.

Zonder hier verder over uit te wijden zullen we ten minste nog vermelden dat het 40e Jubeljaar van de Kerk aanving in 1993 n.Chr. Dit is eveneens 4 x 490 jaar na 33 n.Chr.

Dus zo vangt het 40e Jubeljaar (4 x 490 jaar) na 46 n.Chr. aan in het jaar 2006 n.Chr. Wat dit zal betekenen is nog te vroeg om te weten op moment van schrijven. Maar het lijkt erop dat in dat jaar een nieuw soort bediening zal aanvangen, die vergelijkbaar is met Paulus’ bediening, alleen dan groter, want de bediening van Paulus was een beeld van Loofhutten dat in de toekomst zou geschieden.

HET WUIVEN VAN DE PALMTAKKEN OP LOOFHUTTEN

Nehemia 8 zegt ons dat het volk het Loofhuttenfeest sinds de tijd van Jozua onjuist gevierd heeft door niet in hutten te verblijven. Nog een ander aspect van dit feest lijkt tot aan die tijd te zijn negeert. Het was het wuiven van fruit en palmtakken. Het lijkt erop dat dit is begonnen met Ezra in 445 v.Chr., maar het werd universeel gevierd in de tijd van Christus. De wet van Mozes zegt ons in Leviticus 23:40,

40 Op de eerste dag moet u voor uzelf vruchten van sierlijke bomen, takken van palmbomen, takken van loofbomen en van beekwilgen nemen [Heb. lawkakh, "nemen of dragen”], en u moet zich zeven dagen lang voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden [Heb. samach].

Takken van palmbomen en beekwilgen werden specifiek aangeduid in de wet van Gods instructies om het Loofhuttenfeest te vieren. Toch werden deze specifieke takken niet noodzakelijk gebruikt bij Ezra’s opwekking bij het maken van hutten. Nehemia 8:16 zegt,

16 en dat zij het overal zouden doen horen en een boodschap zouden laten gaan door al hun steden en in Jeruzalem, en zouden zeggen: Ga naar buiten, naar de bergen en breng loof van de olijfboom, loof van de olijfwilg, loof van de mirte, loof van de palmboom [shemen, “olie”], en loof van andere dicht bebladerde bomen, om loofhutten te maken overeenkomstig wat voorgeschreven is.

De HSV vertaald in het bovenstaande vers het Hebreeuwse woord shemen met “palmboom”. Maar het Hebreeuwse woord voor palmboom is tamar en niet shemen. Het woord shemen betekent letterlijk “olie”, dat kan verwijzen naar een grote hoeveelheid sap die gevonden kan worden in altijd groenblijvende bomen. Het is niet aannemelijk dat de Hebreeuwse tekst shemen zou gebruiken voor palmbomen. De King James vertaald het daarom met “pine”, oftewel dennenboom.

De bewoording in beide voorgaande passages tonen aan dat de specifieke bomen die gebruikt moeten worden voor het bouwen van hutten niet erg belangrijk was. De olijf- en dennenbomen (shemen) werden niet eens in de wet genoemd. Toch gebruikte men deze in de tijd van Ezra.

Het is misschien meer significant dat deze takken werden gebruikt tijdens het wuiven tot de HEERE in hun tijd van verblijding. De wet die zojuist geciteerd is (Lev. 23:40) draagt letterlijk op tot het DRAGEN van deze takken om “zich zeven dagen lang voor het aangezicht van de HEERE, uw God, (te) VERBLIJDEN”. Vanwege deze reden vertaalde de Septuaginta, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse geschriften, enkele eeuwen voor Christus dit ook al met “verblijden”.

Het is dus duidelijk dat bij het vieren van het Loofhuttenfeest er takken van bomen gebracht moesten worden – sommigen zelfs nog met vruchten eraan – waarmee gewuifd  moest worden bij het lofprijzen van God. Josephus, de grote Joodse historicus uit de eerste eeuw, schrijft commentaar bij de gebruiken van Loofhutten. Hij zegt in Antiquities of the Jews, III, x, 4, het volgende,

“Op de vijftiende dag van dezelfde maand, wanneer het seizoen van het jaar verschuift naar de winter, gelast de wet ons om in elk huis Loofhutten te vieren… en dit festival acht dagen te houden, waarbij brandoffers en dankoffers worden gebracht, en waarbij we IN ONZE HANDEN een tak van de mirte MOETEN DRAGEN, een beekwilg en een tak van de palmboom met de toevoeging van de pitvruchten, zoals de citroen.”

Daarnaast tekent Josephus op dat gedurende de regering van Alexander Jannaeus (103-76 v.Chr.) het volk hem bekogelde met citroenen die ze droegen tijdens de viering van het Loofhuttenfeest. We kunnen dit teruglezen in Antiquities, XIII, xiii, 5,

“Bij Alexander kwam zijn eigen volk in opstand tegen hem; want bij het festival dat toen gevierd werd, toen hij bij het altaar stond en op het punt stond te offeren, ontstond er oproer en bekogelde ze hem met citroenen, die ze in hun handen droegen vanwege de Joodse wet die hen opdroeg dat een ieder tijdens het Loofhuttenfeest een tak van een palmboom en een citroenboom moest dragen; deze dingen hebben we elders al beschreven.”

In de tijd van Jezus was er een constant geschil tussen de farizeeërs en de sadduceeën omtrent Bijbelse interpretatie. Wat betreft de wet van Loofhutten wordt dit geschil aangehaald in het boek van Alfred Edersheim, The Temple, page 273,

“Zoals gewoonlijk hebben we te maken met het geschil tussen de farizeeërs en de sadduceeën… De sadduceeën pasten (net zoals de moderne Karaïtische Joden) de verwijzingen naar de materialen waarvan de hutten gemaakt moesten worden toe, terwijl de farizeeërs deze materialen toepasten op datgene wat de lofprijzende menigte in hun handen moesten dragen tijdens het feest. De laatste interpretatie is, naar alle waarschijnlijkheid, de juiste; het lijkt erop dat deze interpretatie afkomstig is uit het verslag van het festival in de tijd van Nehemia, waarbij de hutten gemaakt werden van takken van andere bomen dan die aangehaald worden in Leviticus xxiii; en dit was universeel overgenomen in de gebruiken in de tijd van Christus.”

Het wuiven van deze takken (en citrusvruchten) werd gedaan door het bezingen en lofprijzen van God, voornamelijk tijdens het zingen van de Psalmen zoals 118:25-28,

25 Och HEERE, breng toch heil [“Hosanna”]; och HEERE, geef toch voorspoed. 26 Gezegend wie komt in de Naam van de HEERE! Wij zegenen u vanuit het huis van de HEERE. 27 De HEERE is God, Hij heeft ons licht gegeven. Bind het feestoffer vast met touwen tot aan de horens van het altaar. 28 U bent mijn God, daarom zal ik U loven; mijn God, ik zal U roemen.

Toen Jezus voorafgaand aan het Pascha waarop Hij gekruisigd werd op een ezel Jeruzalem binnen reed, verwelkomde het volk Hem als de Messias met deze woorden, terwijl ze wuifden met palmtakken. Hoewel dit hoofdzakelijk een Psalm was die gezongen werd met Loofhutten, profeteerde het volk onbewust over de tweede komst van de Messias. Ze realiseerden zich niet dat vers 27 op het punt stond om in vervulling te gaan, waarbij de priesters zeer spoedig “het feestoffer vast met touwen tot aan de horens van het altaar” zouden gaan binden. Oftewel, de Messias zou het Offerlam zijn dat de zonde van de wereld weg zou nemen.

Toch geeft het boek Openbaringen ons een visioen van de vervulling van deze profetie, want we lezen in Openbaringen 7:9 en 10,

9 Hierna zag ik en zie, een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle naties, stammen, volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met witte gewaden en palmtakken in hun hand. 10 En zij riepen met een luide stem: De zaligheid is van onze God, Die op de troon zit, en van het Lam!

De uiteindelijke vervulling van dit visioen is wanneer de menigte uit het zaad van Abraham, dat niet gemeten of geteld kan worden, het Loofhuttenfeest viert. Abraham is zowel fysiek als geestelijk de vader van vele volken. Dus de Abramitische belofte en zegen vind haar uiteindelijke vervulling in het Loofhuttenfeest. Het achtergebleven fruit op sommige takken duiden op nazaten, de “vrucht van de moederschoot” dat voortkomt uit dit feest.

Het feit dat Loofhutten haar culminatie vind op de achtste dag toont aan dat het een cyclus aangeeft van de geboorte tot besnijdenis, dat plaats vond op de achtste dag onder het Oude Verbond. Onder het Nieuwe Verbond duidt het Loofhuttenfeest op eenzelfde soort cyclus, waarbij het aantoont dat de geboorte van de menigte van de Mensenzoon zal plaatsvinden op de eerste dag van Loofhutten en dat de besnijdenis van hart zal plaatsvinden op de achtste dag.

JEZUS VIERT HET LOOFHUTTENFEEST

De apostel Johannes is de enige Nieuwtestamentische schrijver die ons vertelt hoe Jezus het Loofhuttenfeest vierde. Johannes 7 zegt,

2 En het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, was aanstaande. 3 Zijn broers dan zeiden tegen Hem: Vertrek vanhier en ga weg naar Judea, zodat ook Uw discipelen de werken die U doet kunnen zien. 4 Want niemand doet iets in het verborgene, en streeft er tegelijk zelf naar dat men openlijk over hem spreekt. Als U deze dingen doet, maak Uzelf dan openbaar aan de wereld. 5 Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.

Dit is een profetisch beeld van de tweede komst van Christus tijdens het Loofhuttenfeest. Het laat zien dat Jezus halverwege het feest zal komen (7:14), en dat de Heilige Geest op de achtste dag uitgestort wordt (7:37-39). Het laat ook zien dat Zijn “broers” van Hem verlangden dat Hij Zich openlijk zou tonen, waardoor Hij Zichzelf zou openbaren. Het lijkt erop dat zij geloofden dat als Hij met Zijn krachten en Zijn mogelijkheid tot genezen een show zou opvoeren iedereen Hem wel zou proclameren als Koning. Misschien suggereerden zij wel dat Hij op een wit paard Jeruzalem binnen zou moeten rijden, toegejuicht door dansende vrouwen en juichende discipelen. Hij zou het juk van Rome afschudden, en tegelijk ook het juk van het huidige priesterschap. Het zou een geweldige stap in zijn carrière zijn.

Maar Johannes vermeldt dat zij niet in Hem geloofden. Het lijkt erop dat zij op dat moment niet zouden overeenstemmen met de beoordeling van Johannes over hun geloof. Vanuit hun perspectief verlangden ze een openbare vertoning omdat zij WEL in Hem geloofden. Zij geloofden in Zijn mogelijkheden tot genezen en opwekken van doden. Zij geloofden dat Hij de Messiaanse verwachting van het volk kon vervullen, zolang Hij maar enkele professionele marketeers om Zich heen had om Hem te adviseren. Toen Johannes zijn evangelie begon te schrijven heeft hij waarschijnlijk zijn hoofd geschud en zich verwonderd hoe zij toch zo raar hebben kunnen denken. Op dat moment wist hij de hele waarheid. Toentertijd waren ze het niet eens met Zijn marketingtechnieken. Zij geloofden niet dat Hij datgene deed wat Zijn Vader Hem vertelde te doen.

6 Jezus dan zei tegen hen: Mijn tijd is nog niet aangebroken, maar uw tijd is er altijd. 7 De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken slecht zijn. 8 Gaat u naar dit feest; Ik ga nog niet naar dit feest, want Mijn tijd is nog niet vervuld. 9 En nadat Hij dit tegen hen gezegd had, bleef Hij in Galilea. 10 Maar toen Zijn broers naar het feest gegaan waren, toen ging Hij ook Zelf naar het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.

Jezus vertelde dat het nog niet Zijn tijd was om Zich openlijk te tonen. Het was nog niet Zijn tijd om als Koning geproclameerd te worden en Zijn rechtmatige positie in te nemen als Heer over alle dingen. Het heersersmandaat was gegeven aan Adam in Genesis 1:18 en dit recht om te heersen over alle dingen was overgegaan op Seth, Methusalem, Noach, Sem, Izak, Jakob, Juda, David en ten slotte Jezus. Jezus was de rechtmatige Koning van de aarde, maar Hij moest openlijk geproclameerd worden op een bestemde tijd.

De eerste keer dat Jezus Zichzelf toestond openlijk geproclameerd te worden was op “palmzondag”, enkele dagen voor Zijn kruisiging. Hoewel dit het seizoen van Pascha was, gedroeg het volk zich alsof het Loofhuttenfeest was, waarbij ze met palmtakken wuifden en Psalm 118:25 en 26 zongen. Als het volk de bestemde tijden had geweten, hadden ze begrepen dat Zijn tijd van het heersen over de aarde niet zou aanbreken tijdens Pascha, maar tijdens Loofhutten. Desondanks vestigde het volk een profetisch beeld op palmzondag dat zich later op de bestemde tijd zal manifesteren.

In Johannes 7:7 doet Jezus een enigszins vreemde verklaring: “De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken slecht zijn.” Wat heeft deze verklaring te maken met die situatie? Het lijkt erop dat het een profetische verklaring is dat zolang de wereld Jezus haat, zij Hem niet openlijk gemanifesteerd zien. Van hieruit kunnen we opmaken dat Jezus Zich inderdaad openlijk zal manifesteren als Koning der Koningen over alle volken; hoewel men Hem niet noodzakelijk zal zien totdat zij van Hem gaan houden.

Met andere woorden, in hun christelijke levens moet iedereen de ontwikkelingniveaus doorlopen, waarbij zij Hem zullen kennen en van Hem gaan houden. Deze niveaus worden gerepresenteerd door de drie feestdagen van Israël, maar ook door de drie gedeelten van de Tabernakel van Mozes. In onze Pascha ervaring van rechtvaardiging betreden we de voorhof van de Tabernakel van Mozes. Van daaruit “zien” we Christus in een gedimd licht vanwege de twee voorhangsels. Als we verder gaan vanuit de voorhof naar het Heilige, door de ervaring van Pinksteren, doorwaden we een ander voorhangsel en “zien” we Christus in een veel helderder licht. Echter, pas als we het derde voorhangsel doorgaan, gesymboliseerd door Loofhutten, ontmoeten we Jezus Christus in al Zijn heerlijkheid van aangezicht tot aangezicht.

Bijbelse tradities duiden erop dat wanneer God in heerlijkheid verschijnt, Hij deze heerlijkheid verhult door voorhangsels, want de meeste mensen zijn niet uitgerust om Hem te aanschouwen in Zijn volle heerlijkheid. Het doel van de drie feesten is om de harten van de mensen voor te bereiden op het aanschouwen van Zijn heerlijkheid als Hij komt. Het is daarom aannemelijk dat de tweede komst van Christus geen gelijktijdige openlijke manifestatie van Hemzelf tot de wereld is. Alleen de overwinnaars die de ervaring van Loofhutten zullen binnengaan, zullen Hem volledig aanschouwen in Zijn heerlijkheid. De rest van de wereld zal Hem door voorhangsels heen aanschouwen tot een latere tijd wanneer hun ogen geacclimatiseerd zijn voor Zijn licht. De meeste mensen zullen Hem misschien alleen aanschouwen door Zijn lichaam.

De verheerlijkte overwinnaars zullen deze heerlijkheid verhullen als ze, net zoals Mozes, die zijn gezicht moest verhullen om de mensen geen angst aan te jagen, zullen komen om het woord van God en Zijn wegen te onderwijzen. De heerlijkheid van God is te veel voor de vleselijke mens totdat hij de mogelijkheid heeft gehad om te groeien in de kennis van Zijn heerlijkheid. We zullen hier meer over uitweiden in hoofdstuk negen.

Jezus ging in Johannes 7 niet openlijk naar Jeruzalem om het Loofhuttenfeest te vieren. Hij ging in het verborgene, en Hij ging niet eens samen met Zijn discipelen. Dit lijkt op een hele vreemde daad van Hem. Door Zijn discipelen vooruit te sturen, vestigde Hij het profetische beeld van Zijn tweede komst. Hij ging naar Jeruzalem, niet openlijk, maar als “in het verborgen”. Velen keken uit naar Zijn komst, maar ze wisten niet dat Hij alreeds aanwezig was, noch zagen ze Hem:

11 De Joden dan zochten Hem op het feest en zeiden: Waar is Hij? 12 En er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij misleidt de menigte. 13 Toch sprak niemand openlijk over Hem, uit vrees voor de Joden.

Ten slotte maakt Jezus Zich openbaar. Hij kwam niet specifiek tot de discipelen, maar dook plotseling op om in de tempel te onderwijzen.

HALVERWEGE HET FEEST

14 Maar toen het feest al half voorbij was, ging Jezus naar de tempel en gaf onderwijs.

Dit profetische beeld lijkt erop te wijzen dat Jezus halverwege het Loofhuttenfeest in een zeker jaar terugkomt. De manier waarop Hij komt zal “in het verborgene” zijn (Grieks: kruptos, “verborgen, verzegeld, geheim”). Paulus gebruikt dit woord in Romeinen 2:29, zeggende: “maar híj is Jood die het in het verborgene is.” Hij zal Zichzelf openbaren in Zijn tempel waar Hij het Woord aan het volk zal ONDERWIJZEN. Binnen de oude orde bewoonde God gebouwen van hout en steen, maar vandaag de dag is Hij verhuisd en huist Hij in Zijn volk. Paulus zegt ons dat wij nu de tempels van God zijn (1 Kor. 3:16). Hierdoor zal wat Jezus bij Zijn eerste komst deed – opeens in de tempel gemaakt van hout en stenen te verschijnen – Hij dit niet doen bij Zijn tweede komst. Deze keer zal Hij Zichzelf vertonen of openbaren aan de wereld in Zijn volk, Zijn ware tempel. Zoals we al eerder verklaart hebben zullen de overwinnaars Hem zien van aangezicht tot aangezicht, maar de rest van de mensen zullen Hem aanschouwen door voorhangsels van vlees in een mindere graad van manifestatie.

Maleachi 3:1 zegt,

1 Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mij de weg bereiden zal. Plotseling zal naar Zijn tempel komen die Heere Die u aan het zoeken bent, de Engel van het verbond, in Wie u uw vreugde vindt. Zie, Hij komt, zegt de HEERE van de legermachten. 2 Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen? Wie zal bij Zijn verschijning standhouden? Want Hij is als vuur van een edelsmid, en als zeep van de blekers. 3 Hij zal zitten als iemand die zilver smelt en reinigt: Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver. Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid. 4 Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem voor de HEERE aangenaam zijn, zoals in de dagen van oude tijden af, zoals in vroegere jaren.

Maleachi vertelt ons enkele details van Zijn verschijning. Hij zal komen als “iemand die zilver smelt en reinigt” (3:3), zodat het ware priesterschap in staat zal zijn om God een welbehaaglijk offer te brengen. Dit is uiteraard geschreven in Oudtestamentische taal, maar we moeten het in Nieuwtestamentisch licht opvatten. Het priesterschap dat God nu aan het vestigen is, is niet langer de orde van Levi, maar de orde van Melchizedek, waarvan Jezus de Hogepriester is (Heb. 6:20). Maleachi schreef in zijn eerste hoofdstuk dat in zijn tijd de priesters blinde en kreupele offers op het altaar brachten en hij vroeg het volk of ze God hier mee gunstig stemde (Mal. 1:8, 9). Daarom profeteert Maleachi in hoofdstuk 3 dat God het priesterschap zal gaan zuiveren en reinigen, zodat ze welbehaaglijke offers kunnen gaan brengen.

Paulus zegt ons in Romeinen 12:1 dat we onszelf moeten wijden aan God als “een levend offer” dat welbehaaglijk is voor Hem. Het probleem is dat Jesaja 42:18 het volgende vraagt: “Wie is er zo blind als Mijn dienaar?” Dit wordt vele plaatsen in de geschriften van Jesaja bevestigd. Jesaja 44:18 zegt ons zelfs dat God hun ogen heeft dichtgesmeerd. Gods dienaren zijn eveneens kreupel in hun christelijke levenswandel, net zoals God ervoor gezorgd heeft dat Jakob kreupel werd na de worsteling met de engel (Gen. 32:32).

Dit is de aard van de christen onder de begrenzing van de openbaring van Pascha en Pinksteren. Het voorhangsel verblind ons nog steeds, zodat we de ware aard van God en Zijn heerlijkheid nog niet kunnen aanschouwen. Wij zijn nog steeds begrenst in ons kunnen om een christelijke levenswandel er op na te houden, want hoewel we als rechtvaardigen worden toegerekend, zijn wij in wezen nog niet helemaal rechtvaardig.

Met andere woorden, op dit moment zijn wij voor God, in de ruimste zin van het woord, nog geen welbehaaglijke offers. Het Loofhuttenfeest zal hier verandering in brengen, want Hij zal naar Zijn tempel komen – Zijn lichaam, Zijn priesterschap – om hen te zuiveren, waardoor zij in staat zijn om een welbehaaglijk offer te brengen. De goddelijke wet in Leviticus 2:11 verklaart dat er geen offer gebracht mag worden dat bereidt is met zuurdeeg, en toch bestond het Pinksteroffer uit 2 broden die in zuurdeeg gebakken waren (Lev. 23:17). Dit profeteert ons dat zolang we onder Pinksteren verblijven we nog onbehaaglijke offers zijn voor God in de uiterste zin van het woord. God moet ons zuiveren door Loofhutten heen zodat we volkomen in de goddelijke aanwezigheid kunnen komen zonder dat voorhangsels ons belemmeren.

DE ACHTSTE DAG VAN LOOFHUTTEN

In Johannes 7:37-39 profeteerde Jezus op de achtste dag van Loofhutten over de uitstorting van de Heilige Geest:

37 En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep: Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken. 38 Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. 39 (En dit zei Hij over de Geest, Die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)


In die tijd was het een gewoonte dat de priester elke ochtend van de zeven dagen van Loofhutten in de tempel een drankoffer van water uitschonk. Dit werd uit een zilveren kruik geschonken. Dit deden zij niet op de ochtend van de achtste dag. Dus toen Jezus riep dat degene die dorst hadden tot Hem konden komen, stelde dit een ander soort water voor dat uitgeschonken zou worden op de achtste dag van Loofhutten.

Het uitschenken van water op het Loofhuttenfeest was bedoeld om een voorstelling te maken van de Geest van God die uitgestort werd, zoals dit geprofeteerd wordt in Joël 2:23 en 28. Het volk observeerde dit echter op een vleselijke manier, denkende dat deze ceremonie slechts bedoeld was om te bidden voor regen, dat over het algemeen rond de tijd van Loofhutten begon te vallen. Dit was uiteraard belangrijk voor het planten van de gewassen op dat moment in het jaar. Maar vaak misten ze haar echte betekenis.

Toen Jezus met een harde stem proclameerde dat degene die dorst hadden bij Hem konden komen voor water, en dat dit resulteerde in stromen van levend water die uit hun binnenste zullen vloeien, refereerde Hij eigenlijk aan Jesaja 12:2 en 3, waar staat,

2 Zie, God is mijn heil [Hebr. Yeshua], ik zal vertrouwen en geen angst hebben, want mijn kracht en psalm is de HEERE HEERE [Hebr. Yah Yahweh], en Hij is mij tot heil [Hebr. Yeshua] geworden. 3 U zult met vreugdewater scheppen uit de bronnen van het heil [Hebr. Yeshua].

Yeshua of Joshua was de Hebreeuwse naam van Jezus. Dus Jesaja profeteerde eigenlijk dat Yahweh mij tot Yeshua geworden is. Dit betekent dat Christus (Yeshua) bekend stond als Yahweh uit het Oude Testament voor Zijn vleeswording op aarde. Verder profeteert Jesaja dat we “met vreugdewater scheppen uit de bronnen van het Yeshua.” Dus toen Jezus op de achtste dag van Loofhutten tot het volk riep dat een ieder die dorst had tot HEM moest komen voor water, refereerde Hij aan Jesaja 12:3.

Zoals we al gezien hebben werd de tempel van Salomo verheerlijkt op de achtste dag van Loofhutten. Deze gebeurtenis profeteerde van de verheerlijking van een nieuwe tempel gemaakt van levende stenen, waarvan Pinksteren slechts een voorschot was. Het feit dat Jezus op de laatste grote dag van Loofhutten over de uitstorting van de Geest profeteert, laat zien dat dit de bestemde tijd is voor de toekomende volheid van de Geest.

DE PROFETISCHE TEMPELCEREMONIES VAN LOOFHUTTEN

Elke dag van de zeven dagen van Loofhutten maakte de priesters een optocht door rond het altaar te lopen en Psalm 118:25 te zingen: “Och HEERE, breng toch heil; och HEERE, geef toch voorspoed.” Op de laatste dag van het feest, de zevende dag, liepen de priesters zevenmaal om het altaar. Alfred Edersheim zegt in “The Temple” op pag. 280,

“Maar op de zevende [dag]… deden ze zeven keer een ronde om het altaar, waarbij ze terugdachten aan de muren van Jericho die door dezelfde omstandigheden gevallen waren, en anticipeerden ze hoe, door directe tussenkomst van God, de muren van het heidendom zouden vallen voor Jehovah, waardoor het land open zou liggen voor Zijn volk om daar in te trekken en het eigen te maken.”

Deze dag werd de “Wilgendag” of de “Dag van het Slaan met de Takken” genoemd, zoals Edersheim dit ons vertelt, “omdat met alle wilgentakken werd geschud en de palmtakken in stukken werden geslagen bij het altaar.” Deze gebeurtenis beeldde de vernietiging van Jericho uit en het oordeel van de volken (“bomen”), waardoor Hij alle volken aan Christus onderwerpt.

De rondgang om het altaar beeldde de strijd van Jericho uit en het slaan met de boomtakken stelde de overwinning op Jericho voor – en in het verlengde alle volken, want Jericho was een beeld en schaduw van de volken in het algemeen. Dit profeteerde van de dag wanneer alle volken overwonnen zullen worden en waarbij Christus over alle volken regeert als Zijn erfenis. Deze overwinning wordt gedeeltelijk geassocieerd met het Loofhuttenfeest, dat aantoont dat de komst van Christus en het vestigen van de goddelijke regering de vervulling van dit feest zal zijn.

Dit begint uiteraard met de overwinnaars, wiens bederfelijke lichamen (Jericho) en sterfelijke natuur “overwonnen” zullen worden door Jezus Christus en zij volkomen geregeerd worden door de goddelijke wet. Dit zijn de eerstelingen van de schepping, waarvan de hele schepping in barensnood verkeert. Net zoals Jericho de eersteling was van Kanaän bij haar overwinning, zo is ook de overwinning op het lichaam van de overwinnaar de eersteling van de wereld.

Daarnaast hadden de priesters nog een andere ceremonie rond de tijd van het avondoffer gedurende de zeven dagen van Loofhutten. Dit werd de verlichting van de tempel genoemd. Aan het einde van de dag, nadat de offers en de drankoffers waren uitgeschonken, daalden de aanbidders af van de hof van Israël naar de hof van de Vrouw, waar vier grote gouden lampenstandaarden waren neergezet, met elk vier gouden schalen. Vier jonge priesters droegen kruiken met olie en vulden de schalen op de lampenstandaarden.

Deze ceremonie was bedoeld om de heerlijkheid van God in Jeruzalem te portretteren. De heerlijkheid van God was uiteraard nog nooit in die tempel gekomen en daarom moet de verlichting van de tempel eruit hebben gezien als een karige vervanging voor degenen die deze betekenis ten volle begrepen. Desondanks profeteerde het van het Nieuwe Jeruzalem en haar Nieuwe Tempel gemaakt van levende stenen. Jezus legde de betekenis van dit gebruik van deze ceremonie de volgende dag uit waarbij Hij het volk onderwees, want we lezen in Johannes 8:12,

12 Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.

Net zoals het ware levende water uit Jezus geschept moet worden, zoals Hij proclameerde op de laatste grote dag van het feest, zo moet een ieder tot Hem komen om het ware licht van de waarheid te ontvangen. Het licht van het leven komt als de volheid van de Geest neerdaalt om de tempel van ons lichaam te bewonen. De verlichting van de tempel profeteert zodoende van de heerlijkheid en het licht van God dat Zijn volk zal vullen op het moment van het Loofhuttenfeest.

DE ACHT TEKENEN IN HET EVANGELIE VAN JOHANNES

Nadat Jezus het water in wijn had veranderd zegt Johannes 2:11 ons het volgende,

11 Dit heeft Jezus gedaan als begin van de tekenen, te Kana in Galilea, en Hij heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.

Er zijn in feite acht tekenen in het boek van Johannes, namelijk:

1. Water in wijn veranderen (Joh. 2:1-10).

2. De genezing van de zoon van de Koninklijke hoveling (Joh. 4:46-54).

3. De genezing van de verlamde in Bethesda (Joh. 5:1-13).

4. Het te eten geven van de 5000 (Joh. 6:1-13).

5. Lopen op het water (Joh. 6:16-25).

6. De genezing van de blinde (Joh. 9:1-7).

7. De opwekking van Lazarus (Joh. 11:1-45).

8. Het vangen van de 153 grote vissen (Joh. 21:3-12).

Het is niet mogelijk om binnen dit boek een complete studie te doen over deze tekenen, hoewel deze tekenen wel correleren met het Loofhuttenfeest. In de zojuist geciteerde tekst uit Joh. 2:11 hadden deze tekenen als doel om Zijn heerlijkheid te openbaren op de aarde. De eerste zeven tekenen werden gedaan voor Zijn dood en opstanding; het laatste teken werd gedaan na Zijn opstanding. Na elk teken gaf Jezus een onderwijzing en uitleg waardoor de betekenis van elk teken openbaar kwam. Johannes verslaat ook andere verhalen achter deze tekenen. Deze illustreren de voorgaande tekenen.

De middelste tekenen – oftewel de vierde en de vijfde – zijn profetisch voor het midden (halverwege) van het Loofhuttenfeest. Als eerste voedde Jezus de 5000 met vijf gerstebroden en twee vissen op het moment van Pascha (Joh. 6:4). Dit had als resultaat dat de mensen Hem koning wilden maken (Joh. 6:15). Later op het Loofhuttenfeest in Johannes 7 wilden de mensen hem doden (7:19). Het lijkt erop dat ze er niet uitkwamen wanneer ze wat moesten doen. Zij moesten Hem offeren als een Offer tot God met Pascha, en zij moesten Hem koning willen maken op Loofhutten.

Nadat Hij de schare te eten had gegeven vluchtte Hij naar een berg om te bidden, waarbij Hij zijn discipelen vooruit stuurde over de zee van Galilea. Zij bevonden zich toen in een harde stormwind. Te midden van het meer naderde Jezus hen, over het water lopende. In het verslag van Mattheüs lezen we dat Petrus uit de boot stapte om Jezus te ontmoeten (Mat. 14:39-42). Vervolgens keerde Jezus en Petrus terug naar de boot, waarna ze zich plotseling in Kapernaüm bevonden (Joh. 6:21 en 24).

Dit verhaal profeteert van de tweede komst van Christus. Het verhaal begint met het Pascha werk van Christus, waarbij Hij de schare te eten geeft met Zijn onderwijzingen, terwijl ze Hem koning willen maken. Zij wisten niet dat Zijn eerste komst een offerdienst (sterven) moest zijn. Daarom steeg Jezus een hoge berg op om te bidden. Dit profeteert van Zijn hemelvaart, waar Hij voor ons pleit (Heb. 7:25). Ondertussen heeft Hij Zijn discipelen de wereld in gezonden, wetende dat zij beproevingen te verduren krijgen tijdens Zijn afwezigheid. De storm waar de discipelen in verkeerden stelt beproeving voor.

Vervolgens komt Jezus tot hen. Johannes zegt dat ons dat ze ongeveer vijfentwintig tot dertig stadiën geroeid hadden (Joh. 6:19), dat ongeveer het midden van het meer was. Petrus ging uit de boot om Hem te ontmoeten. Hij handelde hier naar het gedeelte van de overwinnaars die de Heere ontmoeten in de lucht (1 Thes. 4:17). Merk op dat NIET ALLE discipelen uit de boot stappen om Hem te ontmoeten, hoewel het allemaal gelovigen waren. Alleen Petrus stapt buiten de boot. Het stelt de overwinnaars voor. Uiteraard begon Petrus de wind en de golven op te merken, waardoor hij begon te zinken. Maar Jezus vatte Hem. Dit laat ons zien dat de overwinnaars waarschijnlijk niet volmaakter zijn dan de andere gelovigen, discipelen, maar er huist iets in ze dat de anderen niet hebben. Andere Bijbelpassages geven hierover meer details, maar die vallen buiten het bereik van deze toekomende gebeurtenis.

Als Jezus ten slotte in de boot met discipelen stapt gaat de wind liggen (Mat. 14:32), en was de boot op wonderbare wijzen verplaatst naar de andere kant van het meer, naar het stadje Kapernaüm, (Joh. 6:21, 24). Later zullen we hier meer over zeggen, maar dit is de “opname” waarover geprofeteerd wordt in 1 Thessalonicenzen 4:17. Zij bevonden zich in Kapernaüm, dat een samengesteld Hebreeuwse naam is. De stam van deze naam is kippur en nacham. Kippur betekent “bedekken”, terwijl nacham “trooster” betekent. Met andere woorden, zij kwamen in de plaats van de volheid van de Geest, de volkomen bedekking van de Trooster, die de Heilige Geest is.

Dit profeteert op één of andere manier over het midden (halverwege) van het Loofhuttenfeest. In een zeker opzicht is dit nog niet helemaal duidelijk, het lijkt erop dat Jezus halverwege het feest zal komen en dat de overwinnaars dan “opgenomen” zullen worden tot de achtste dag van Loofhutten, dat hun Kapernaüm is. Ondertussen zullen de andere mensen die gevoed zijn tijdens het teken van Pascha naar Hem gaan zoeken, met het verlangen om nog steeds gevoed te worden en waarbij ze nog steeds gefocust zijn op het Pascha werk van Christus (Joh. 6:22-26). Zij hadden geen kennis of begrip van het Loofhutten werk. Ook wisten zij niet waar Hij gebleven was of wanneer Hij in Kapernaüm gekomen was (Joh. 6:25).

Vervolgens verslaat Johannes de onderwijzingen van Jezus over de twee tekenen. Als eerste legt Jezus uit dat Hij het ware brood uit de hemel is (Joh. 6:32). Toen de 5000 gevoed waren verzamelden zij van de resten twaalf volle manden. Jezus vergelijkt dit met de opstanding van de doden, zeggende in Johannes 6:39 en 40,

39 En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag. 40 En dit is de wil van Hem Die Mij gezonden heeft, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.

Jezus herhaalt deze verklaring nog tweemaal in Johannes 6:44 en 54. Het doel van het manna uit de hemel (en het voeden van de 5000) kunnen we vinden in Johannes 6:45,

45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God onderwezen zijn. Ieder dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij.

De rest van Johannes 6 is een verslaggeving van het voeden van de 5000. Daarna vinden we in Johannes 7 een profetisch verhaal van Jezus toen Hij het Loofhuttenfeest vierde. Dit illustreert en verklaart de betekenis van het vijfde teken in Johannes, waarbij Jezus tot de discipelen kwam op het midden van het meer.

Bij het vijfde teken stuurde Jezus Zijn discipelen vooruit naar Jeruzalem. In Johannes 7 stuurt Jezus Zijn discipelen vooruit naar Jeruzalem voor het Loofhuttenfeest.

Bij het vijfde teken wisten de mensen niet waar Jezus was. In Johannes 7 wisten de mensen wederom niet waar Jezus was.

Bij het vijfde teken kwam Jezus tot de discipelen op het midden van het meer. In Johannes 7 kwam Jezus tot de tempel op het midden van het Loofhuttenfeest.

Bij het vijfde teken werden Jezus en de discipelen opgenomen naar Kapernaüm, de “bedekking van de Trooster”. In Johannes 7 profeteerde Jezus op de achtste dag van het feest over de uitstorting van de Heilige Geest.

Al deze dingen lijken ons te duiden op de timing van de tweede komst van Jezus; tenminste, wat de tijd van het jaar betreft. Natuurlijk zeggen deze verslagen niets over het jaar waarin Hij zou kunnen komen. De manier waarop Hij komt is ongetwijfeld geopenbaard in deze verhalen, maar we erkennen dat deze verhalen opgetekend zijn als gelijkenissen en illustraties, waardoor zij veel ruimte laten voor discussies tussen verschillende opvattingen. Wijzelf hebben natuurlijk ook een zekere opvatting, maar wij zijn niet geneigd te denken dat wij onfeilbaar zijn in onze opvattingen. Desondanks zullen degenen die het oneens zijn met onze conclusies hun voordeel doen met de inzichten die in dit boek staan.